Voor de effectieve compositie van een macrofoto zijn meerdere aspecten van belang. In dit artikel bespreek ik onder meer de invloed van de plaatsing van het onderwerp, van de aspecten waarop het oog focust en van de relatie tussen hoofdonderwerp en de achtergrond.

Als we een foto maken, moeten we vooraf bedenken wat we ons publiek willen laten zien. Meestal willen we de nadruk leggen op het hoofdonderwerp, zoals een mooie bloem of een insect. Om de aandacht van het oog van de kijker te grijpen – eyecatcher – is het handig om te weten waar de ‘gevoelige punten’ van ons oog liggen. Dat zijn bij een foto drie aspecten: scherpte, licht en kleur.

Het oog zal bij het zien van een foto direct op zoek gaan naar het hoogste contrast en onder meer scherpte is daar voor verantwoordelijk. Is echter de totale foto scherp, dan zal het oog verdwalen en krijgt het hoofdonderwerp niet de gewenste aandacht. Behalve dat het hoofdonderwerp dus scherp moet zijn, moet de rest van de foto onscherp(er) zijn. Dit verschil in scherptebeleving drijft het oog naar het scherpste punt van het kader. In het spel van scherp-onscherp speelt de scherptediepte een cruciale rol en is daarmee een belangrijk sturingsinstrument voor de macrofotograaf.

Aandacht voor het hoofdonderwerp met alles scherp (links) of met een kleine scherptediepte (rechts).

Hetzelfde verhaal geldt ook voor licht; het oog zal zich direct richten op dat onderdeel van het kader, dat een verhoogde helderheid heeft ten opzicht van zijn omgeving. De keuze van de helderheid van de achtergrond is in dit kader van belang en ook de controle over de belichting speelt een belangrijke rol bij de licht-donkerverdeling van een foto.

De aandacht sturen met licht.

In de keuze en het gebruik van cameralenzen proberen we lensafwijkingen zo veel mogelijk te voorkomen. Soms kan het echter zinvol zijn om een lensafwijking juist te benadrukken. Bij kijkgeleiding is dat het toepassen van een vignette in een fotobewerkingsprogramma. Hiermee leggen we de aandacht meer op het heldere hoofdonderwerp.

Toepassen van een vignette om het hoofdonderwerp te benadrukken.

Sturen met kleur

Kleur is het derde aspect waardoor de aandacht van het oog wordt gegrepen. Bevindt zich ergens in een monochroom onderwerp een knalrood voorwerp, dan kijken we daar als eerste naar. Sommige kleuren hebben een hogere attentiewaarde dan andere en ze worden dan ook wel signaalkleuren genoemd. Rood is hiervan een bekend voorbeeld, maar afhankelijk van de kleur van het overige deel van het kader, kunnen alle primaire kleuren als eyecatcher dienst doen.

Een signaalkleur in actie. Als eerste zien we hier de rode tulp.

Het gebruik van kleur als eyecatcher kan natuurlijk al bij opname worden toegepast, maar het is ook eenvoudig achteraf toe te voegen aan een foto. Als we in een fotobewerkingsprogramma een selectie maken rond het bewuste, gekleurde onderdeel en deze selectie omkeren en vervolgens de verzadiging -100 maken, dan bereiken we nagenoeg hetzelfde effect.

Een bijkomend aspect bij de kijkprioriteit van het oog is de leesrichting die de toeschouwer gewend is. In de Westerse wereld lezen we van linksboven naar rechtsonder en we zullen dus ook onbewust geneigd zijn een foto via die diagonaal met het oog te scannen.

Plaatsing van het hoofdonderwerp op de leesrichting. Je kijkt dit beeld van links naar rechts.

Regel van 1/3

De Hollandse meesters gebruikten de gulden snede om de belangrijkste onderdelen van hun schilderijen op het doek te plaatsen. Ze verdeelden het werkvlak met twee horizontale en twee verticale lijnen, waarbij op de vier snijpunten de hoofdonderwerpen werden geplaatst. Deze methode wordt ook in de fotografie toegepast en gaat door het leven als de Regel van 1/3.

Vlakverdeling op basis van de Regel van 1/3.

Deze regel helpt bij het indelen van een landschap, maar kan ook bij macrofotografie een basis zijn voor de kadering van het onderwerp. Hierbij moet het echter als hulpmiddel gezien worden en niet als stringente wet. In de praktijk betekent het vaak dat we het onderwerp iets uit het midden zetten en niet zozeer exact op een van de vier snijpunten. Kies je ervoor om het hoofdonderwerp toch exact in het midden te zetten, dan moet je dat beslist doen. Als dat dan maar bewust gebeurt en niet alleen omdat het scherpstelpunt in het centrum van de zoeker zit.

Als we een onderwerp iets uit het midden zetten, bijvoorbeeld een slak, dan moeten we dat doen aan de andere kant van de kijkrichting van de slak. Dus kijkt de slak naar rechts, dan zet je hem links uit het midden. Hiermee voorkom je dat er achter de slak een oninteressante lege ruimte ontstaat.

Relatie tussen kijkrichting en plaatsing uit het midden: ‘fout’ (links) en goed (rechts).

Om te voorkomen dat het hoofdonderwerp in je foto’s altijd in het midden staat van het kader, omdat daar ‘toevallig’ ook het middelste scherpstelpunt zit, kun je in veel gevallen herkaderen. Dat gaat als volgt. Je stelt scherp met het middelste AF-scherpstelpunt door de ontspanner half in te drukken en terwijl je deze ingedrukt houdt, beweeg je de camera iets naar links of rechts en maakt de opname. Stel je handmatig scherp of kun je op jouw camera het scherpstelpunt bepalen, dan is deze techniek niet nodig, omdat je eenvoudig op elk willekeurig punt in het kader visueel kunt scherpstellen.

Beeldkader

Een fotograaf ziet de wereld door het kader van de zoeker of het lcd-scherm. Standaard is deze rechthoekig en heeft deze een liggende oriëntatie, ook wel landscape genoemd, omdat het veel gebruikt wordt voor landschapsfotografie. Draaien we de camera een kwartslag, dan wordt het kader staand en vooral geschikt voor portretfotografie (portrait). Over het algemeen benadrukt een liggend kader de weidsheid van een onderwerp en een staand kader de hoogte of diepte.

Het karakter van een vierkant kader en van een panorama (breedbeeld).

Door tijdens een macrosessie de camera een kwartslag te draaien, kun je het onderwerp dus een behoorlijk ander aanzien geven en bepaalde onderdelen benadrukken. Je kunt de camera natuurlijk ook onder een andere hoek draaien dan 90 graden om bijvoorbeeld een lijn, structuur of herhaling over de diagonaal van het beeldkader te leggen.

Zelfde onderwerp met een liggend en staand kader.

Spiegelreflexcamera’s hebben een standaardbeeldverhouding van 3:2 en een bepaalde groep systeemcamera’s (microFourThird) werkt met 4:3. Tegenwoordig is het bij bijna alle camera’s echter ook mogelijk andere verhoudingen in te stellen. Zo zullen op de meeste systeemcamera’s 3:2, 4:3 en 16:9 standaard aanwezig zijn, waarvan eerste twee vooral geschikt zijn voor print (en ‘oudere’ beeldschermen) en de laatste verhouding aansluit bij de nieuwe breedbeeldstandaard. Hoewel je verschillende beeldverhoudingen kunt kiezen, heeft de sensor een vaste hoogte- breedte. Bij andere verhoudingen zal een gedeelte van de sensor niet gebruikt worden. Afwijkende beeldverhoudingen zijn verder alleen van toepassing op JPEG-foto’s en niet op RAW, waarbij altijd het beeld van de gehele sensor gebruikt wordt.

Als de foto eenmaal genomen is, zijn we op geen enkele wijze meer gebonden aan een vaste beeldverhouding en kunnen we in een fotobewerkingsprogramma naar eigen believen een foto bijsnijden. Interessant hierbij is natuurlijk de verhouding 1:1, aangezien een vierkant kader het onderwerp in sommige gevallen kan versterken. Ook 3:1 is populair, omdat dit een gemiddelde standaard is voor panorama’s. Zowel 1:1 en 3:1 zijn prima toe te passen bij macrofoto’s en zeer geschikt voor beafdruk op canvas. Een panorama of breedbeeldfoto kan eenvoudig worden gemaakt door deze uit te snijden uit één foto. Nadeel is dat voor een visueel scherpe afdruk op grootformaat het aantal pixels mogelijk onvoldoende is. Door een serie overlappende foto’s op de computer te monteren kan hetzelfde brede beeldkader worden verkregen, maar met een veel groter pixelformaat.

Relatieve grootte van een bijgesneden panorama (inzet) en een uit vier foto’s gemonteerd panorama.

Brandpunt-standpunt

Als we een foto nemen, dan zijn we vooral bezig met het hoofdonderwerp. Bijna alle punten hebben daarop betrekking. Toch is een foto meer dan alleen het hoofdonderwerp en is de achtergrond vaak minstens zo belangrijk. Hoe de relatie is tussen het hoofdonderwerp en de achtergrond, wordt bepaald door de combinatie van het gebruikte standpunt en het gekozen brandpunt. Een opname van dichtbij met een macrolens met een brandpunt van 60 mm geeft een heel ander beeld dan diezelfde foto bij 180 mm van een grotere afstand. In beide gevallen is het hoofdonderwerp even groot en staat het op dezelfde plaats in het kader, maar in de eerste situatie zal veel meer achtergrond zichtbaar zijn dan in het tweede geval, waarbij het hoofdonderwerp veel meer geïsoleerd is van zijn context.

Van dichtbij (v) met kort brandpunt (f) of van verderaf met een lang brandpunt.

Het brandpunt heeft ook invloed op hoe sterk de achtergrond verschuift als we het camerastandpunt iets naar links/rechts of boven/onder bewegen. Bij een lens met een kort brandpunt zal de achtergrond sterker verschuiven dan bij het werken met een macrolens met een lang brandpunt. De mate van verschuiven wordt natuurlijk ook bepaald door de verhouding van de afstand camera- hoofdonderwerp en hoofdonderwerp-achtergrond. Je kunt dit eenvoudig in de praktijk ervaren. Zet een bloem op twee meter van een drukke achtergrond en kader het op een meter afstand. Als je door de zoeker kijkt en je beweegt de camera iets naar links of rechts of naar boven of onder, waarbij je de bloem in het midden van het kader houdt, dan zul je zien dat de achtergrond behoorlijk kan variëren.

Rechts is de camera vijf centimeter naar beneden gehaald. Let op de verschillen in achtergrond met de foto links.

Als je in de natuur macrofoto’s maakt, dan is soms niet eenvoudig een goede achtergrond te vinden bij een onderwerp. Je kunt dat enigszins beïnvloeden door een takje met bladeren voorzicht weg te buigen of juist binnen het kader te duwen. Afhankelijk van de kleur en de helderheid van het onderwerp zou je ook een wit, grijs of zwart karton tijdelijk als achtergrond kunnen plaatsen, of zelfs gekleurd papier of een fotoafdruk, hoewel deze laatste twee nadelig kunnen zijn voor het natuurlijke karakter van het onderwerp.

Met natuurlijke ‘lelijke’ achtergrond (links) of met een tijdelijke, zwart karton achtergrond (rechts).

Als je je eenmaal bewust bent van de achtergrond, kun je voortaan voorkomen dat storende elementen in die achtergrond, zoals takjes en bladeren, het hoofdonderwerp raken. Tevens kun je op zoek gaan naar een bepaalde kleur of lichtschakering in de achtergrond, zoals een ondergaande zon of een lichtvlek, waarbinnen je het hoofdonderwerp kunt plaatsen.

Voor meer aandacht plaats je het onderwerp voor een ondergaande zon. (Foto: Johan van de Watering)

Voor- en achtergrondonscherpte

Door meer aandacht te hebben voor de invloed van de achtergrond op het karakter van de gehele foto, gaat ook de onscherpte van die achtergrond een belangrijker rol spelen. De mate van onscherpte wordt grotendeels bepaald door de keuze van het diafragma, maar ook het brandpunt en de voorwerpsafstand zijn daarbij van belang. Als we met een macrolens met een brandpunt van 100 mm redelijk dicht op het onderwerp fotograferen, is de scherptediepte bij f/2,8 slechts enkele millimeters en is de achtergrond voor sommige onderwerpen mogelijk té onscherp. We zullen dan een kleiner diafragma moeten toepassen (diafragmeren) om de scherptediepte te vergroten en tevens de achtergrond meer herkenbaar te maken. Door te diafragmeren wordt de sluitertijd langer en zal bewegingsonscherpte op de gebruikelijke manieren (statief, beeldstabilisatie of hogere ISO) voorkomen moeten worden.

Een groot diafragma geeft hier te weinig scherptediepte en te onscherpe achtergrond (links). Een kleiner diafragma (rechts) is beter.

Behalve dat de achtergrond medebepalend is voor het karakter van het hoofdonderwerp, zo kan ook de voorgrond daarin een rol spelen. Niet door middel van een scherp voorwerp, maar toegepast in transparante onscherpte. Als we een bloem fotograferen met een blad tussen camera en bloem, dan veroorzaakt dit onscherpe blad een groene kleurzweem over een gedeelte van de bloem en dat geeft een heel ander effect dan de opname zonder blad.

Voorbeeld van een voorgrond die door onscherpte transparant is geworden. (Foto: Johan van de Watering)

Als we voor- en achtergrondonscherpte combineren met verschillende variaties van brandpunt en standpunt, dan is het mogelijk om van één onderwerp vele tientallen verschillende foto’s te maken.

Voorbeeld van het verschil in bokeh tussen een goedkope (links) en dure lens (rechts).

Naast de kwantitatieve onscherpte van de achtergrond is ook de kwaliteit van de onscherpte van belang voor de beleving van het onderwerp. Deze kwalitatieve onscherpte van de achtergrond wordt ook wel aangeduid met de term bokeh (spreek uit: boe-kee) en is niet zozeer afhankelijk van de grootte van de lensopening, maar meer van het aantal en de vorm van de lamellen van het diafragma. Meer lamellen die rond zijn in plaats van recht, geven een mooier bokeh. Het bokeh van een lens komt vaak tot uiting als er in de achtergrond licht- of glanspunten aanwezig zijn. Bij grote onscherpte ontstaan dan lichtcirkels, die bij een mooi bokeh keurig rond zijn en een zachte uitstraling hebben.

Bewuste onscherpte van gehele onderwerp door de kortste scherpstelafstand handmatig te kiezen. Prachtige, onscherpe lichtcirkels met een mooi bokeh.

Dauwdruppeltjes kunnen iets extra’s toevoegen aan een opname van een bloem of insect. Deze zijn echter niet altijd aanwezig en daarom is een plantenspuit een handig accessoire om in zijn fijnste stand soortgelijke druppels aan het onderwerp toe te voegen. De kleine sproeidruppeltjes kunnen samengroeien tot grotere. Op een zeker moment zullen deze grote druppels inzakken en wil je toch een groter formaat druppel, dan is het gebruik van glycerine (type 1.23, verkrijgbaar bij de drogist) te overwegen. Met een pipet kun je dan toch grote druppels maken.

Een druppel geeft een onderwerp extra attentiewaarde.

Experimenteer!

Er zijn boeken volgeschreven over compositie en met dit artikel tillen we dus maar een tipje van de sluier op over alles wat te maken heeft met deze interessante materie. Belangrijk is dat je je voortaan bewust bent van de plaatsing van het onderwerp, van de aspecten waarop het oog focust en van de relatie tussen hoofdonderwerp en de achtergrond. Het credo hierbij is ‘durf te experimenteren’, want beter tien slechte foto’s te veel gemaakt, dan één goede gemist.

Het Handboek Beter fotograferen bespreekt niet alleen compositie, maar alle facetten die een rol spelen bij het visualisatieproces van een foto.

Wil je alles weten over alle facetten die een rol spelen bij het visualisatieproces van een foto, kijk dan eens naar het Handboek Beter fotograferen (3e ed.) van Johan van de Watering en Pieter Dhaeze (ISBN 978-90-5940- 888-3). Hierin wordt een foto ontrafeld in tien ingrediënten, zoals compositie en licht, die afzonderlijk worden besproken.   


Alles over macrofoto’s

Dit artikel is een bewerking van een van de hoofstukken van Handboek macrofotografie – tot in het kleinste detail! van Pieter Dhaeze. Naast compositie besteedt hij hierin aandacht aan veel meer facetten van de macrofotografie. De aspecten gereedschap, kennis, vaardigheid en creativiteit/ inspiratie vormen de basis van het boek. Welke lens heb ik nodig? Wat is scherptediepte? Wat zijn de belangrijkste instellingen? Hoe kader ik een aantrekkelijk beeld? Op al deze vragen geeft Pieter antwoord door middel van heldere tekst en duidelijke illustraties. Voor de nodige inspiratie is het boek gelardeerd met mooie macro- en close-upfoto’s.

   

Advertentie



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in