Dit winters tafereel vereist normaal geen snelle sluitertijd, maar wel een klein diafragma om alles scherp in beeld te krijgen. Omdat ik de ganzen had gehoord en die wilde bevriezen, besloot ik snel de ISO op te schroeven om de sluitertijd te kunnen verkorten. Een beeld in de reeks van op de goede plaats op het goede moment er zijn, of: “be there and f/8” aldus de Engelse term. f/9, 1/500, ISO 400, bij 100 mm

Een goede fotograaf word je niet alleen door je creativiteit de vrije loop te geven. Ook kennis over de techniek is belangrijk, zeker als leek ontsnap je daar niet aan. Shoot helpt je graag je technische knowhow te vergroten!

Na het zien van de zoveelste reeks mooie beelden op sociale media vraag je je af hoe je jouw fotografie zou kunnen verbeteren. “Zouden mijn resultaten met zo’n professionele camera ook zo goed zijn? Of komt er meer bij kijken?” Je wilt je meer verdiepen in de boeiende wereld van foto’s maken, want alles wat ermee te maken heeft, prikkelt je nieuwsgierigheid. Het goede nieuws is dat het nooit eerder zo gemakkelijk was om fotografie aan te leren als vandaag de dag. Het digitale tijdperk biedt je – met onder meer online kennisbronnen en directe visuele terugkoppeling op het cameradisplay – alle mogelijkheden om het beste uit je fotografie te halen.

Beeld met het licht zelf als onderwerp. Soms liggen de beelden voor het grijpen, je moet ze enkel zien. Opname nabij middernacht waarbij de silhouetten van de Noorse bergen voor een prettige aflijning zorgen. f/8, 1/160, ISO 100, 61 mm

Zoals met de meeste vaardigheden die je wil beheersen, moet je ook bij het fotograferen een stuk techniek onder de knie krijgen. Dit is het eenvoudigste deel, techniek is immers aan te leren. De technische kunde is meestal gebaseerd op het herhalen van de handelingen die leiden tot het eindresultaat. Afhankelijk van hoe snel je nieuwe zaken opneemt, begrijpt en correct toepast, is dit een relatief gemakkelijke fase. In een reeks van vier artikels zal ik uitvoerig ingaan op de belangrijkste technieken van de fotografie. Na het lezen van de reeks zal het door fotografen gebezigde jargon voor jou geen latijn meer zijn. Je weet dan precies welke stappen je moet doorlopen om een foto te maken zoals jij hem voor ogen had.

In dit eerste deel belicht ik de handelingen en begrippen die de basis van het fotograferen vormen. In het tweede artikel ga ik dieper in op lichtmeting en wanneer belichtingscompensaties toe te passen. Ook bespreek ik daarin de instellingen van de camera. Dit artikel zal in de volgende editie van Shoot verschijnen. Objectieven spelen de hoofdrol in het derde deel van de serie, dat in Shoot 96 verschijnt. Tot zover alles wat betreft de invloed van de hardware op het maken van een sterke foto. In het vierde en laatste deel ga ik dieper in op de beeldvorming; dat kun je in Shoot 97 lezen. Ik vertel je daarin wat er gebeurt na het indrukken van de ontspanknop en over de beginselen van beeldontwikkeling en de digitale donkere kamer.

Met deze artikelreeks wil ik je de handvatten aanreiken waarmee jij een technisch correct beeld kunt maken. Maar, zoals elke kunstvorm, vergt fotografie ook een creatieve inbreng. Dat is geheel andere koek en staat soms lijnrecht tegenover het toepassen van de elementaire handelingen. Toch komt ook dat uiteindelijk neer bij het correct aanleren van de technieken. Immers, hoe vlotter je de camera bedient zonder daarbij te hoeven nadenken, hoe meer je concentratie naar de beeldvorming kan gaan. Het bewust kunnen drukken op het knopje (met natuurlijk alles wat daaraan vooraf gaat) is slechts de techniek om een beeld te maken zoals jij dat voor ogen hebt. Het creatieve proces stopt nooit, je bent er een leven lang zoet mee. Precies daarin zit de stimulans om je fotografie levendig en boeiend te houden, niet enkel voor jezelf maar ook voor de toeschouwer.

Belichting: de absolute basis

Wat maakt een beeld eigenlijk goed? Naast een juiste scherpte zijn ook de keuze van het onderwerp en de plaatsing van de elementen binnen het kader, de compositie dus, belangrijke elementen voor een sterke foto. Een ander basiselement binnen de fotografie is de belichting. Deze zorgt voor het ontstaan van je beeld. Je wil immers geen te donker en ook niet een veel te helder beeld: de opname moet dus goed belicht zijn.

In de praktijk komt het erop neer dat je een hoeveelheid licht gedurende een bepaalde periode laat inwerken op een lichtgevoelig element. Vroeger was dit film, tegenwoordig is het in de meeste gevallen de digitale sensor van je camera. Beide media hebben met elkaar gemeen dat ze gevoelig zijn voor licht: na een tijdspanne aan licht blootgesteld, zijn ze in staat om een permanent beeld te vormen.

Het beeld dat de sensor heeft gevormd, wordt uitgelezen en verwerkt door de beeldprocessor en daarna op de geheugenkaart opgeslagen. In het vervolg van dit artikel spreek ik enkel nog over de digitale sensor en laat ik de specifieke zaken omtrent filmfotografie achterwege. Op wat er werkelijk geschiedt in de sensor wat de beeldvorming betreft, ga ik ook niet in, dit heeft nog weinig van doen met fotografie. Je kan immers ook perfect autorijden zonder dat je weet hoe de motor werkt.

Een manueel objectief met het diafragma variërend van volledig open tot volledig dicht. We zien achtereenvolgens f/1.4, f/2, f/2.8, f/4, f/5.6, f/8, f/11 en f/16. Rechtsonder zie je de dunne metalen plaatjes die over elkaar draaien en zo de opening vormen.

De sensor in je camera is gevoelig voor licht. De sterkte van deze gevoeligheid wordt aangegeven met de ISO-waarde en kun je binnen grenzen zelf instellen. Voor de sensor zit een mechanisme dat de tijdspanne dat het licht doorgelaten wordt, regelt: de sluiter. Dit is meestal niets anders dan een gordijntje dat even open- en dichtgaat. Ook de sluiter is regelbaar; daarbij spreken we logischerwijs van de sluitertijd.

In het objectief zit dan weer een opening, die ook regelbaar is: het diafragma. Feitelijk bestaat dit uit dunne metalen plaatjes, die over elkaar draaien en zo een bijna cirkelvormige opening vormen. De grootte van de diafragmaopening bepaal je tijdens het fotograferen, van volledig open tot bijna volledig dicht. Hoe meer plaatjes het diafragma heeft, hoe dichter de opening die van een cirkel benadert. Oude objectieven hadden veelal zes plaatjes, moderne lenzen hebben er vaak negen of meer. (Waarom dit belangrijk is, lees je in het derde deel van de artikelreeks.)

Het licht valt door het diafragma van de lens de camera binnen en voor een bepaalde tijd (de sluitertijd) laat je dit licht inwerken op de lichtgevoelige sensor. Daarbij ontstaat een beeld. Dit proces noem je belichten en er zijn drie variabelen die hierbij een rol spelen: het diafragma (de hoeveelheid licht), de sluitertijd (de belichtingstijd) en de ISO-waarde van de sensor (de gevoeligheid). Het is belangrijk te weten dat er een relatie tussen de drie bestaat, de zogenaamde belichtingsdriehoek. Verdubbelt een waarde van een van de drie, dan zul je de waarde van een van de andere twee moeten halveren om dezelfde lichtintensiteit op de sensor te garanderen. Omgekeerd geldt natuurlijk ook: halveert er een waarde, dan moet je een andere waarde verdubbelen. De sluitertijd bepaal je met de camera en verloopt in een reeks van bijvoorbeeld 1/8000 seconde tot 30 seconden. Zo ontstaat een serie: 1/8000, 1/4000, 1/2000, 1/1000, 1/500, 1/250, 1/125, 1/60, 1/30, 1/15, 1/8, 1/4, 1/2, 1 seconde enzovoorts. Elke volgende of vorige stap betekent een verdubbeling of een halvering van de tijd dat het licht op de sensor valt. Iets vergelijkbaars gaat op voor het diafragma van het objectief. Dit getal geeft de verhouding tussen de brandpuntsafstand van het objectief en de diameter van de opening weer. Ook het diafragma is in te stellen aan de hand van een reeks getallen: f/1, f/1.4, f/2, f/2.8, f/4, f/5.6, f/8, f/11, f/16, f/22, f/32. Ook hier betekent elke stap voor- of achteruit een verdubbeling of een halvering van het licht dat de sensor kan bereiken. (Waarom verdubbelen of halveren deze getallen niet exact? De reden is dat we te maken met een cirkel. Een verdubbeling of halvering van een cirkeloppervlakte is √2 of 1,4x van de diameter.)

Diafragmaring en scherptediepteschaal op een manueel objectief, die op veel moderne autofocusobjectieven ontbreken. Het diafragma stel je dan in via de camera. f/16, 1/8, ISO 100, 17 mm

In de fotografie noemen we deze stappen stops. Elke stop betekent een verdubbeling of een halvering van de oppervlakte van de diafragma-opening (en dus het doorgelaten licht). Overigens zal je ook veel tussenliggende waarden tegenkomen, omdat we vaak met derden van stops werken. Voor de duidelijkheid: een kleine diafragmawaarde komt overeen met een grote lensopening. Voor de ISO-waarden (ISO staat voor International Organization for Standardization) geldt eenzelfde verhaal. Een sensor is ontwikkeld met een basisgevoeligheid voor licht, die meestal ISO 100 of 200 is. Je kunt deze basis opschroeven, zodat de sensor ‘gevoeliger’ is. Dan heeft hij een kortere belichting nodig. Opnieuw krijgen we dan een reeks: ISO 100, 200, 400, 800, 1.600, 3.200, 6.400, 12.800, 25.600, 51.200 et cetera. (In de analoge periode hadden films ook een bepaalde gevoeligheid, toen gebruikte men de term ASA). Onthoud voorlopig dat je voor de beste fotokwaliteit een zo laag mogelijke ISO-waarde kiest. Meer hierover lees je in het volgende artikel, wanneer ik de invloed van camera’s bespreek.

Met deze drie reeksen cijfers heb je bij elke foto te maken, zij bepalen de belichting van je beeld. Ongetwijfeld zul je de reeksen na een tijdje klakkeloos van buiten kennen, zelfs de tussenliggende waarden

Wanneer welke waarde?

Maar hoe weet je nu welke waarden je in een specifieke situatie moet kiezen om een juist belichte foto te bekomen? Simpel: laat je (vooral als beginnend fotograaf) vooral leiden door de ingebouwde lichtmeter van je camera. En na de opname heb je een prachtinstrument ter beoordeling van de belichting tot je beschikking, namelijk het zogenaamde histogram. Maar over deze materie lees je meer in deel II. Je kunt het correct belichten van een foto vergelijken met het vullen van een emmer.

Tegenlichtopname die neigt naar silhouetweergave. Ik bevroor de beweging van de landende zwanen volledig door een korte sluitertijd te gebruiken. f/10, 1/1600, ISO 400, 400 mm

Door de waterkraan (= het diafragma) veel of weinig open te draaien, verloopt het het vullen sneller of trager (= de sluitertijd). De grootte van de emmer staat in dit plaatje voor de sensorgevoeligheid of de ingestelde ISO-waarde. In de praktijk gaat het belichten meestal met een vast ingestelde ISO-waarde. Daarbij kies je naargelang de toepassing een diafragma (bijvoorbeeld f/11 bij een landschap, f/1.8 voor een portret) met bijhorende sluitertijd. Of je kiest een bepaalde sluitertijd (bijvoorbeeld 1/1000 bij sportfototgrafie), en bepaalt op basis daarvan de voor een correcte belichting vereiste diafragmawaarde.

Ik wilde de vallende sneeuw als onscherpe strepen weergeven. Omdat de keuze van de sluitertijd hierbij van belang is, heb ik eerst wat geëxperimenteerd. Uiteindelijk gaf 1/15 seconde het beste resultaat. f/8, 1/15, ISO 400, 200 mm
Deze twee beelden zijn beide met een 24mm-objectief gemaakt. De ene opname is van voor naar achter scherp, terwijl de andere een selectieve scherpte op de paddenstoelen heeft. Het verschil komt enerzijds door een verschillend diafragma en anderzijds door een andere opnameafstand.

Effecten van sluitertijd, f-stops en ISO

Een foto die is gemaakt met een snelle sluitertijd (bijvoorbeeld 1/1000 seconde of minder) kan beweging van je onderwerp stilzetten of bevriezen, denk aan een rijdende auto of een waterval. Omgekeerd laat je met een trage sluitersnelheid beweging toe van je onderwerp. Dit komt dan bewogen en dus onscherp in beeld. Uit dit gegeven blijkt dat je voordat je afdrukt al een inschatting zal moeten maken van de gewenste sluitertijd: wil je de beweging bevriezen of juist niet? Bij het bepalen van de sluitertijd kan je ook een creatieve keuze laten meespelen.

Wil je met een snelle tijd fotograferen, dan vermindert de hoeveelheid licht naar de sensor. Daardoor moet je compenseren door het diafragma meer open te draaien en/of de ISO van de sensor te verhogen (waardoor die gevoeliger voor licht wordt). Denk eraan dat de juiste belichting moet kloppen: halvering van een waarde betekent een verdubbeling van een van de andere twee.

Fotografeer je uit de hand, dan is het zaak de camera zo stil mogelijk te houden om onscherpe opnames te voorkomen. Let wel, dat heeft niks met beweging van je onderwerp zelf te maken zoals hierboven beschreven. Een goede vuistregel is om een minimale sluitertijd van “1 gedeeld door de brandpuntsafstand” te hanteren. Dus, bij een 50mm-objectief moet je een minimum van 1/50 seconde aanhouden als je onbewogen beelden vanuit de hand wilt maken. Bij het fotograferen met een klein diafragma (zoals f/11) is de kans groot dat je die minimale sluitertijd niet haalt. Een statief is dan de oplossing om geen onscherp beeld te riskeren. Tegenwoordig zijn er ook veel camerabody’s en objectieven uitgerust met systemen die trillingen tegengaan (IS, VR, OS,). Die laten je met langere sluitertijden (tot wel 5 stops en meer) uit de hand fotograferen. Wederom: hierover meer in het vervolgartikel.

Waarom een klein diafragma?

Met de grootte van het diafragma bepaal je niet alleen de hoeveelheid licht die op de sensor valt, ze heeft ook invloed op de scherptediepte in je foto. (Denk overigens niet dat wanneer je de opening in het objectief verkleint of vergroot, je regelt hoeveel er van een situatie op de foto terechtkomt. Het diafragma zit in het brandpunt van het objectief, oftewel daar waar de lichtstralen samenkomen. Je regelt er enkel de hoeveelheid licht mee.)

Een klein diafragmagetal betekent een grote lensopening waar de lichtstralen als een wijde bundel licht doorheen vallen. Verklein je die opening (we noemen dat diafragmeren), dan gaan die lichtstralen in een smallere bundel naar de sensor. Precies dit gegeven bepaalt ook hoeveel er scherp is op foto. Een foto is immers niet alleen scherp op het punt waarop je hebt scherpgesteld, ook een deel voor en een deel achter dit punt is scherp. Het gebied dat scherp wordt weergegeven noemen we scherptediepte. Hoe groter de opening (een kleiner diafragmagetal) hoe kleiner dit gebied, en omgekeerd. Met het diafragma bepaal je dus ook hoeveel scherptediepte je in je beeld weergeeft: enkel je onderwerp, alles in de foto of iets ertussenin. In de praktijk ligt de scherptediepte vaak zo’n 1/3 voor en 2/3 achter het scherpe onderwerp.

Een typische namiddagopname. Om een warmere tint in de grassen te verkrijgen heb ik de witbalans een beetje warmer gezet. Daardoor oogt het beeld aangenamer. Het blauwe van de lucht is zo sterk aanwezig, dat dit zo goed als geen invloed heeft, enkel in de wolken nabij de horizon komt die warme tint ook mee. f/11, 1/30, ISO 100, 20 mm

Landschapsfotografen werken altijd met grote diafragma’s om alles in beeld van voor tot achter scherp te krijgen. Ook willen ze een maximale beeldkwaliteit waarborgen en houden daarom de ISO laag. Het gevolg is dat ze langere sluitertijden moeten instellen: vandaar dat een statief tot de standaarduitrusting van de landschapsfotograaf behoort.

Witbalans en soorten licht

Bekijken we met onze ogen een wit vlak gedurende het verloop van een dag, dan ziet het er op elk moment wit uit. Toch is het dat niet, omdat het licht gedurende de dag varieert. Maar omdat we weten dat het vlak wit is en onze hersenen automatisch corrigeren, nemen we het ook als zodanig waar. Een digitale camera doet dit echter niet automatisch en legt de kleuren in principe vast zoals ze zijn.

Een opname van het vroege ochtendgloren. Net op die extreem vroege of late tijdstippen krijg je zeldzame kleuren die zich doorgaans zeer kort laten zien. Ook hier was de witbalans van mijn camera op daglicht ingesteld en corrigeerde ik niet in de nabewerking. f/8, 1/2, ISO 400, 145 mm

Dat zit zo. Natuurlijk licht dat op dit wit vlak valt, varieert enorm van dageraad over het middaguur tot de duisternis valt. Hiermee bedoel ik niet de intensiteit ervan, maar de kleur van het licht. Het zonlicht start als koel, blauwig licht, om bij zonsopgang naar rood-oranje te neigen en vervolgens meer als wit over te komen. Bij de avonduren verloopt dit proces omgekeerd. De reden hiervan is dat licht bestaat uit een mix van de primaire kleuren rood, groen en blauw, waarvan de aandelen in de loop van de dag veranderen.

Deze foto heeft warme tinten in de lucht, terwijl de sneeuw op de bevroren vijver uitsluitend koude tinten blauw laat zien. Ik had de witbalans ingesteld op daglicht en had geen correcties achteraf nodig. f/6.3, 1/160, ISO 400, 200 mm

We spreken van een bepaalde kleurtemperatuur en die wordt uitgedrukt in graden Kelvin. Deze schaal geeft niet de effectieve warmte of koude weer, maar de kleurwarmte of -koude. We ervaren blauw licht als koel, dit geeft men met een hoge kleurtemperatuur aan. Geel, oranje en rood licht ervaren we daarentegen als warm. Dit licht wordt aangegeven met een lage kleurtemperatuur. Op de kleurtemperatuurschaal heeft het licht van de middagzon een kleurtemperatuur van zo’n 5000 tot 6000°K. Zonsop- en ondergangen en het licht van gloeilampen zitten om en nabij de 2000 tot 3000°K. Bij schaduwen, sneeuw en het licht van het blauwe uurtje lopen de waarden al gauw naar 7000 a 10000 graden Kelvin.

Vroeg zonlicht speelt in een mistig heideveldje. f/11, 1/50, ISO 100, 57 mm

De kleurtemperatuur is een instelling die we aan de sensor kunnen toewijzen. Door dat te doen, vertel je de sensor in feite welk licht op een beeld wit is. De camera zorgt dan dat alle andere kleuren automatisch met een warmere of koelere kleur worden weergegeven. Er zijn een aantal voorgeprogrammeerde keuzes om de kleurtemperatuur in te stellen, zoals daglicht, bewolkt, schaduw, kunstlicht, flits, tl-licht en een automatische instelling. Deze instellingen zijn handiger dan de keuze van een vaste waarde, die trouwens buiten de studio, toch steeds wijzigt. Ook de automatische witbalans werkt meestal goed. Breek vooral je hoofd niet over deze instellingen, in de praktijk valt het reuze mee. Als je in RAW fotografeert (een must voor de serieuze fotograaf), dan kun je de witbalans in de nabewerking altijd nog corrigeren.

Twee keer een strandopname met een verschillende witbalans. In het beeld links is de witbalans ingesteld op daglicht, dit was ook de sfeer bij opname. Rechts een poging om de sfeer van het blauwe uurtje weer te geven door de witbalans koeler in te stellen. f/11, 1, ISO 100, 22 mm

Een laatste opmerking wat betreft de automatische instelling. Bij het vastleggen van de kleurenpracht van een zonsondergang zal deze het beeld corrigeren voor het vele geel, oranje en rood dat er dan is. Teleurstelling zal daarom je deel zijn. Het is dan beter om een vaste instelling te kiezen, bijvoorbeeld daglicht zoals ik doe, en de kleurtemperatuur in de nabewerking te corrigeren. Daarbij kun je ook spelen met de witbalans. Dat geeft je een creatieve manier om met kleuren om te gaan. Licht en kleurtemperatuur zijn immers belangrijke sfeerbrengers in je beeld.

Met een korte sluitertijd van 1/500 seconde bevroor ik alle druppeltjes en zette de beweging in deze opspattende golven stil. f/8, 1/500, ISO 100, 330 mm

Bewuster fotograferen

Hopelijk kun je met bovenstaande de ontspanknop nog bewuster indrukken. Hoe meer technische bagage je hebt, des te beter ben je in staat om teleurstellingen vermijden. Als je onderbouwde keuzes kunt maken, komen je resultaten ongetwijfeld dichter bij je verwachtingen te liggen.

En vergeet niet: fotografie is een leerproces, het is dus zeker oke om fouten te maken. Neem vooral de tijd om te kijken waar het fout is gelopen, zodat je het in de toekomst anders kunt aanpakken. Omarm de digitale mogelijkheden zoveel mogelijk, want je kunt direct controleren na de opname en bijsturen als dat nodig blijkt.

Bij macrobeelden fotografeer je dicht bij het onderwerp waardoor er een beperkte scherptediepte is. Bewust fotografeerde ik met een grote diafragmaopening: de tweede aar is onscherp, maar zorgt toch voor een boeiend beeld. f/5, 1/60, ISO 400, 180 mm

Ezelsbruggetjes en jargon

  • De reeks diafragmagetallen onthoud je met slechts twee cijfers: f/1 en f/1,4. De rest is telkens een verdubbeling van afwisselend één van deze cijfers: f/1, f/1.4, f/2, f/2.8, f/4, f/5.6, f/8, f/11, f/16, f/22, f/32.
  • Laag f/getal = onscherpe voor- en achtergrond = weinig scherptediepte = grote lensopening.
  • In de fotografie bepalen de sluitertijd, het diafragma en de ISO-waarde de belichting. Wijzig je één daarvan, dan moet je een andere aanpassen om de belichting gelijk te houden.
  • De scherptediepte (in het Engels Depth of Field, DoF) bepaal je met het diafragma, maar is ook afhankelijke van de afstand tot het onderwerp, de brandpuntsafstand van het objectief en de grootte van de sensor.
  • Bokeh is een uit het Japans afkomstige term die staat voor de kwaliteit van de onscherpte in beeld.
  • Minimale sluitertijd uit de hand = 1/brandpuntsafstand.
  • De witbalans en het aanwezige licht zijn bepalend voor de sfeer in je beeld.
Advertentie



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in