Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie over de cookies waarvan deze website gebruik maakt klik hier. Door verder op deze website te surfen geeft u de toestemming aan Minoc Data Services om cookies te gebruiken.

Licht herkennen en gebruiken

Sfeer creëren met je fotografie

Licht herkennen en gebruiken

Licht is de basis van elke foto, en goed licht is de basis van elke geslaagde foto. Of het nu gaat om natuurlijk licht, flitslicht of een combinatie van beide, de principes blijven hetzelfde. In dit artikel leren we je licht te herkennen en gebruiken om betere foto’s te maken.

[Dit is een ingekorte versie van het artikel van Bert Stephani, Licht herkennen en gebruiken, in Shoot 13.]

Een grondige kennis van licht stelt je in staat om sfeer te creëren en verhalen te vertellen met je fotografie. Om het licht meester te worden, moet je echter wat dieper graven dan alleen de standaardopstellingen en trucjes.

In dit artikel geven we geen kant-en-klare lichtopstellingen die je maar te kopiëren hebt. We leren je eerst waarom bepaald licht werkt en ander licht niet. Gewapend met die kennis, wordt de vraag hoe je iets moet belichten een stuk makkelijker. We doen dit in een aantal stappen: licht herkennen, licht analyseren en ten slotte licht creëren en naar je hand zetten.

 

 

Een naar het noorden gericht raam zorgt voor extra zacht licht.

 

Licht herkennen

Het eerste wat je als fotograaf moet leren, is goed licht herkennen. Je weet vast wel dat het licht op een zomerse dag mooier is bij zonsopgang en -ondergang dan wanneer de zon ‘s middags op zijn hoogst staat. Waarschijnlijk weet je ook dat daglicht van een naar het noorden gericht raam dat vleiende portretlicht geeft dat vele beroemde schilders en fotografen inspireerde. Dit soort aanwijzingen vind je in de meeste basisboeken over fotografie.

Maar er is nog veel meer mooi licht te ontdekken. Misschien tovert de zon een fantastisch schaduwpatroon op de muur wanneer ze de sanseveria op de vensterbank bij je oma passeert. Zelf zie je er ongetwijfeld tien jaar jonger uit in de make-upspiegel van de beautysalon; en de kaarsjes op de restauranttafel toveren verleidelijke lichtjes in de ogen van je partner. In al die situaties bepaalt het licht mee hoe iets of iemand eruitziet.
 


Afdakjestechniek: het licht van bovenaf wordt geblokkeerd zodat in dit geval alleen het licht van voor het onderwerp komt.

 

Eén van mijn favoriete technieken is wat ik de ‘afdakjestechniek’ noem. Wanneer je overdag buiten fotografeert, komt het grootste deel van het licht van boven. De schaduwen vallen daardoor naar beneden. Zelfs bij een bewolkte hemel zien je ogen eruit alsof je gisteren naar een wel heel leuk feestje geweest bent. Ook de schaduwen onder je neus en kin zijn niet meteen vleiend.

Als je je onderwerp onder een afdakje zet, blokkeer je het licht dat van boven komt en krijg je vooral horizontaal licht op je onderwerp. Afdakjes vind je overal: een brug, een tramhalte of een deurgat.

De beste manier om lichtsituaties te leren kennen, is om er zo vaak mogelijk op uit te trekken en vrij te experimenteren. Een tip die ik vaak meegeef, is om aan ‘mentale fotografie’ te doen. Niet iedereen heeft evenveel tijd om met de camera op pad te gaan maar we beleven wel allemaal elke dag een hoop dode momenten: in de file, in de rij aan de kassa… Je kunt die ‘verloren’ tijd best nuttig gebruiken. Kijk om je heen en zoek naar mooi licht.

Let ook eens op de positie van je onderwerp ten opzichte van het licht. De buislamp aan het plafond geeft misschien geen vleiend licht wanneer je onderwerp er onder staat. Maar als je onderwerp op de tafel gaat liggen en je van bovenaf fotografeert, krijg je plots veel mooier licht en geweldige langwerpige reflecties in de ogen.

Door jezelf opmerkzaam te maken voor licht, kan je na verloop van tijd bijna met zekerheid voorspellen op welke plekjes en in welke situaties je mooi of juist lelijk licht zal krijgen.

 

 

)

Een blik achter de schermen bij de afdakjestechniek.

 

Licht analyseren

Hoe meer situaties met mooi licht je kan herkennen, hoe meer opties je hebt als fotograaf. Maar je blijft wel afhankelijk van die situaties. Dit kan frustrerend en tijdrovend zijn.

Daardoor wil je wellicht op zoek gaan naar manieren om het licht zelf te gaan controleren en creëren. Maar voor je dat met succes kan doen, moet je eerst begrijpen waarom die lichtsituaties die je hebt leren herkennen, werken.

Velen slaan deze stap over en beginnen meteen met het licht zelf te maken. Soms lukt dat aardig, maar vaak zit er toch iets mis waardoor de foto net niet werkt. Licht analyseren kan een saaie technische bezigheid lijken, maar het is onontbeerlijk. Zodra je er een beetje in vordert, zal je merken dat het een interessante verslaving kan worden.

Er zijn veel wetten uit de fysica van toepassing op het licht, maar als je let op volgende vijf stelregels, kan je de meeste situaties prima ontleden.

1. Licht gaat altijd in een rechte lijn.
Als je onderwerp een bepaalde lichtbron niet kan zien, zal het licht van die lichtbron het onderwerp niet bereiken. Deze wet is vooral belangrijk om te weten waar je schaduwen vallen: recht van de lichtbron weg.

2. De invalshoek is gelijk aan de reflectiehoek.
Wanneer licht door een oppervlak zoals een reflectiescherm weerkaatst wordt, kan je dus perfect voorspellen in welke richting het zal reflecteren. Zie het als een spelletje biljart, of beeld je in dat je lichtstraal een tennisbal is die je tegen een bepaald oppervlak gooit.

Om dit principe onder de knie te krijgen, kan je ook eens gaan experimenteren met een zaklamp en een spiegel. Hou de lamp in verschillende hoeken tegenover de spiegel, en leer voorspellen in welke richting het licht zal reflecteren.

3. Licht neemt de kleur aan van wat het raakt.
Dit is de reden waarom mensen een ongezond kleurtje hebben als je je flitser laat weerkaatsen op dat blauwe plafond, en waarom je een bruin tintje krijgt als de zon reflecteert op de parketvloer. Maar dankzij deze wet kan je er er met behulp van een oranje filter op je flitser ook voor zorgen dat het van nature witte flitslicht er meer gaat uitzien als het warme licht van de ondergaande zon.

4. De grootte van de lichtbron in verhouding tot het onderwerp bepaalt de zachtheid van het licht.
Zacht licht staat hoog op het verlanglijstje van vele fotografen die vleiende portretten willen maken. Hoe groter een lichtbron is, hoe zachter het licht. Gebruik je een softbox, dan is je kleine flits plots een veel grotere lichtbron geworden.
Maar vergeet niet dat het om de relatieve grootte van de lichtbron tot je onderwerp gaat. De zon is de grootste lichtbron in het zonnestelsel, maar zorgt toch voor hard licht met harde schaduwen. Dat komt doordat de afstand tot de zon zo immens groot is dat de zon toch een relatief kleine lichtbron is. Je opzetflitser is dan weer een kleine lichtbron, maar als je deze vlakbij een mug houdt, wordt die kleine flits in verhouding tot het onderwerp een gigantische softbox.

 

 

De paraplu zorgt ervoor dat de flits een grotere lichtbron wordt. Hoe dichter we de paraplu bij ons onderwerp plaatsen, hoe zachter het licht wordt.

 

5. De omgekeerde kwadratenwet.
Deze wet stelt dat de intensiteit van licht omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de afstand tot de bron. In de praktijk betekent dit dat als je de afstand van het onderwerp tot een lichtbron twee keer zo groot maakt, de intensiteit van het licht dat het onderwerp bereikt door vier gedeeld wordt.

Stel dat je een koppel moet fotograferen. De vrouw staat op één meter van je enige flitser, de man staat op twee meter (verdubbeling van de afstand). Je zou denken dat de man dan half zoveel licht ontvangt als de vrouw, maar wegens de omgekeerde kwadratenwet, ontvangt hij slechts één vierde van de hoeveelheid licht.
Onthou vooral dat de lichtintensiteit heel snel afneemt als de afstand tussen lichtbron en onderwerp groter wordt. Deze afname merkt je het snelst in het gedeelte het dichtst bij de lichtbron.
 

De lichtbron is hier bijna boven het onderwerp, net buiten het beeld geplaatst. Merk op hoe snel het licht aan intensiteit verliest naar beneden toe.

 

Elke dag leren

Ik geef toe dat deze vijf wetten of regels ook voor mij saaie koek was, tot het moment waarop ik inzag dat zij de sleutel vormen tot de volgende stap: licht maken zoals jij wil.

Met kant-en-klare fotorecepten uit boeken kan je al leuke lichtopstellingen maken. Maar het is pas wanneer je licht zelf leert analyseren dat je met wat logisch denken zelf het gewenste kan creëren.

Gewapend met diezelfde kennis weet je hoe en waarom een softbox, een paraplu en een reflector werken. Dat helpt niet alleen om het juiste materiaal te kiezen, maar laat je ook improviseren als de situatie of het budget dat vereist.

Je mag niet verwachten dat je meteen de fijnste details van elke lichtsituatie kunt analyseren. Dat proces vraagt tijd. Zelf ontdek ik nog elke dag nieuwe dingen over licht. Dat maakt het nou juist zo fascinerend.

Als je licht hebt leren analyseren, dan zie je de volgende keer bij je oma thuis niet zomaar een schaduwpatroon van een sanseveria op een muur, maar wel:
• De schaduwen lopen naar beneden af. Aangezien ik weet dat licht zich in rechte lijnen beweegt, hoef ik alleen de richting van de schaduwen te volgen om te weten hoe hoog de zon staat.
• Door de reflectiehoek weerkaatst het fotolijstje op de schoorsteenmantel zonlicht recht in mijn lens. Als ik de hoek waarmee het zonlicht op deze glasplaat valt lichtjes wijzig door het lijstje te draaien, valt het licht niet langer in mijn lens.
• Het schaduwpatroon van de sanseveria vertoont een groene tint. Ik weet nu dat dit komt doordat er een beetje licht door de groene bladeren dringt.
• Ik heb hard licht, omdat de zon zo ver weg staat en er geen wolken of gordijnen tussen de zon en de muur staan.
• De lichtintensiteit is over de hele muur ongeveer gelijk (behalve in de schaduwen uiteraard). De ene kant van de muur ligt weliswaar verder van de lichtbron dan de andere kant maar doordat de afstand tot de lichtbron (de zon) zo immens groot is, is het effect van de omgekeerde kwadratenwet praktisch nihil.

Nu je ‘het licht ziet’ en kan analyseren, houdt niets je nog tegen om zelf het licht te gaan maken.
 


Een softbox imiteert ongeveer het licht van een noordwaarts gericht raam.

 

Licht creëren

Door de jaren heen heb ik heel wat geld geïnvesteerd in opzetflitsers, reflectieschermen, studiomateriaal, accessoires… Maar mijn allerbeste investering was die in kennis: talloze artikels, boeken, tijdschriften, dvd’s en eindeloze uren van experimenteren.

Toegegeven, goed materiaal geeft je meer mogelijkheden, werkplezier en professionele betrouwbaarheid. Met kennis en een minimum aan materiaal kom je echter veel verder dan met een fortuin aan materiaal dat je niet kan gebruiken.

De grote uitdaging is te weten wat je met die flitser  wil gaan doen. Je heb zoveel mogelijkheden dat je erdoor overdonderd kan kan worden: links, rechts, hoog, laag, filtertje ervoor of niet, paraplu, softbox… Maar als je tot hier bent geraakt in dit artikel, dan weet je eigenlijk al waarom je die keuzes maakt.

Stel je even voor dat je een portret van je oma wil maken met dat prachtige schaduwpatroon van de sanseveria op de achtergrond. Maar je oma is pas beschikbaar na haar dagelijkse soapserie op televisie, en ondertussen is de zon al weg.

Laat nu ook de sanseveria vertrokken zijn naar de eeuwige vensterbankvelden. Je zou natuurlijk kunnen wachten op een volgende zonnige dag en ondertussen een nieuwe sanseveria gaan kopen. Maar je kan ook je kennis gaan gebruiken om op zijn minst zeer gelijkaardig licht te gaan creëren.
– Een filter (opzetflits of studioflits) is ook een relatief kleine lichtbron, dus die kan de plaats van de zon innemen als we de flitser buiten voor het raam zetten.
– Een oranje filter voor je flitser helpt om de warmte van het zonlicht in de late namiddag na te bootsen.
– Enkele stukken groen papier kunnen het patroon van de sanseveria vervangen.
– Je zou de neiging hebben om de flitser zo dicht mogelijk bij het raam te zetten om de flitskracht optimaal te gebruiken. Maar dan ga je duidelijk meer licht krijgen op het stuk muur dat dichter bij de flitser staat (de omgekeerde kwadratenwet). Zet je flits dus ver genoeg achteruit.

 

 


Het spel van licht en schaduw op de vloer lijkt misschien op een binnen schijnend zonnetje, maar is geproduceerd door flitslicht door de leuning van een stoel.

 

Ga eens door je fotoarchief en haal er enkele foto’s uit waarbij je een mooie lichtsituatie had. Analyseer het licht en verzin een manier om zelf gelijkaardig licht te maken. Begin met eenvoudige dingen en probeer ze uit in de praktijk. Zo evolueer je naar meer complexe situaties. Je kunt natuurlijk meer dan alleen natuurlijk licht nabootsen. Probeer maar eens het licht van een televisietoestel na te bootsen, tover je keuken om in een nachtclub of simuleer de lichtjes rond een make-upspiegel.