f/8, 1/125, ISO 100, 85 mm Met licht van boven en onder spreek je van een clamshell-belichting.

Goed gebruik van flitslicht kan een foto laten stralen. Maar zonder de juiste kennis en ervaring kan je een beeld ook ‘dood’ flitsen. Met oefeningen en theorie maak ik je wegwijs in de wereld van perfect belichte beelden.

Goed gebruik van flitslicht kan een foto laten stralen. Maar zonder de juiste kennis en ervaring kan je een beeld ook ‘dood’ flitsen. Met oefeningen en theorie maak ik je wegwijs in de wereld van perfect belichte beelden.

Na mijn vorige artikelreeks over het maken van betere portretten met enkel natuurlijk licht (zie Shoot-edities 81 en 82), ga ik het in deze en de volgende uitgaves van Shoot hebben over het gebruik van flitslicht bij het fotograferen van portretten. Zoals de titel van dit artikel al onthult, beperk ik me deze keer tot enkele eenvoudige technieken. Die kan iedereen in principe makkelijk toepassen. Je hoeft ervoor dan ook zeker geen peperduur materiaal aan te schaffen. Ik baseer me enkel op het gebruik van een standaard opzetflitser, zowel op de camera als weg van de camera. Uiteraard beperk ik me ook tot één flitser. Je kan immers beter één licht op een goede manier gebruiken dan vijf lichten op een foute wijze.

Aangezien flitsen best een theoretische kennis vereist, zal dit eerste deel meer theorie omvatten en enkele makkelijkere oefeningen. Verwacht dus (nog) geen spectaculaire opnames, maar maak gebruik van dit artikel om de basis onder de knie te krijgen én te begrijpen. In het vervolgartikel in de eerste Shoot van het volgend jaar treed ik verder in detail over diverse flitstechnieken. Daarin diep ik technieken verder uit treed ik meer in de praktijk. Maar dat is dus voor later.

Wat je niet kent …

Bij lezingen en workshops krijg ik vaak de vraag waarom je in bepaalde gevallen bij het maken van een foto zou moeten flitsen. Verder blijkt ook dat een groot deel van de fotografen op mijn vraag of ze flitslicht mooi vinden, heel vaak ofwel negatief antwoorden ofwel geen mening hebben. Het is een beetje als het gezegde “onbekend is onbemind”.

Als je weet wat je doet, dan zal flitslicht je foto heel vaak naar een hoger niveau tillen. Maar enkel als je goed beseft wat er gebeurt. En als jij de controle in handen neemt en zelf beslist in plaats van dat je dat aan de camera of de flitser overlaat. Dat kan heel technisch en ver gaan, maar zelfs op basisniveau leiden eenvoudige tips in combinatie met oefening zeker tot een mooi resultaat.

Weten wanneer je gaat flitsen is een van de belangrijkste zaken als je weinig ervaring hebt met flitslicht. Er zijn veel situaties waar doorgewinterde fotografen flitslicht in hun composities gooien, maar als starter hou je je best aan twee situaties. De eerste is dat je flitslicht gebruikt op die momenten dat er gewoon niet genoeg natuurlijk licht voorhanden is. Een situatie met te weinig natuurlijk licht is wanneer je te hoog in de ISO’s moet gaan, waardoor er te veel ruis ontstaat. Of wanneer je vanwege het aanwezige natuurlijke licht de sluitertijd zo traag moet instellen dat de kans op het ontstaan van bewegingsonscherpte reëel wordt. Flitslicht zorgt er namelijk mede voor dat je onderwerp extra bevroren wordt en hierdoor heb je minder kans op bewegingsonscherpte. Een tweede situatie is als de kwaliteit van het natuurlijke licht niet mooi genoeg is. Denk bijvoorbeeld aan somber en saai licht of aan licht dat door allerhande vreemde lichtbronnen vervuild is.

Probeer er altijd op te letten dat je een balans vindt, zodat het voor een buitenstaander niet direct opvalt dat er is geflitst. We spreken dan van invulflitsen. Het is het makkelijkste om mee te starten als je natuurlijk licht gaat combineren met flitslicht. De openingsfoto van dit artikel is hier een goed voorbeeld van.

Regels die je moet kennen

Hoewel fotograferen in de eerste plaats een gevoel is – het vertellen van een verhaal – zijn er toch enkele basisregels die van belang zijn. Die moet je kennen en jezelf eigen maken.

Sluitertijd De tijd dat het licht op de sensor valt. Onthoud dat deze tijd enkel en alleen invloed heeft op het binnenlaten van omgevingslicht. Het zal dus in geen enkel geval enige invloed hebben op je flitslicht. (Enkel wanneer je niet in high speed sync modus werkt, dien je wel rekening te houden met het feit dat deze sluitertijd beperkt moet worden tot de maximale flitssynchronisatietijd. In veel gevallen is deze 1/250ste, maar bij bepaalde camera’s zal deze ook lager zijn. Ga je flitsen met een sluitertijd hoger dan deze maximale flitssynchronisatietijd, dan zal je de welgekende zwarte balken in beeld krijgen, meer bepaald het tweede gordijn dat mee in beeld zal verschijnen.)

Diafragma Deze opening bepaalt hoeveel licht er door de lens op de sensor van je camera valt. Hoe groter het diafragma (klein f/-getal), hoe meer licht je binnenlaat in je camera. Deze factor heeft zowel invloed op de hoeveelheid natuurlijk licht als op het flitslicht. Indien je minder flitslicht in je compositie wenst, dan kan je dit bekomen door je diafragma kleiner te maken. Je moet de oplossing nooit gaan zoeken bij de sluitertijd.

Flitssterkte De meeste fotografen die vaak gebruik maken van flitslicht willen zoals bij alles volledige controle hebben. Zij zullen het flitslicht dus manueel instellen. Zowat alle opzetflitsers kan je buiten de bekende TTL-mode (Through The Lense, de camera meet het licht door de lens en geeft de waarde door aan de flitser) ook handmatig instellen. De kracht kan lopen van 1/1, de volle kracht van de flitser is, tot bij vele merken 1/128ste van de kracht. Rekenkundig is flitslicht in een donkere omgeving ook heel makkelijk te berekenen. Als je de sterkte van de flits van volle kracht (1/1) zou brengen naar halve kracht (1/2), dan halveer je de hoeveelheid flitslicht en verlies je één stop aan licht. Met andere woorden, moest je op volle kracht een diafragma f/8.0 halen bij ISO 100, dan zal je bij halve kracht uitkomen op F/5.6 bij dezelfde gevoeligheid, exact één stop verschil. Let wel, dit is een enkel een exacte wetenschap in een verduisterde omgeving. Als er ook natuurlijk licht mee in de compositie zit, is dit niet het geval en zal je het licht best even met een lichtmeter meten.

Lichtverval Houd rekening met het feit dat licht zwakker wordt naarmate de afstand tot de lichtbron groter wordt. Dat klinkt logisch, maar wat minder logisch klinkt, is dat dit niet evenredig is. Dit fenomeen heet de omgekeerde kwadratenwet. Als je het flitslicht meet, kom je erachter dat “de kracht van het licht omgekeerd evenredig is met het kwadraat van de afstand tot de lichtbron”. Dat wil zeggen dat als je een object twee keer zo ver van het licht vandaan zet (dus op 2 in plaats van 1 meter), dat nog maar 1/4 deel van het licht ontvangt. En drie keer zover betekent nog maar 1/9 van het licht, vier keer zover 1/16.

ISO-waarde Als er niet genoeg licht is en je sluitertijd wordt te lang, stel dan gewoon een (veel) hogere ISO-waarde in. Dit zal er ook voor zorgen dat de sensor veel gevoeliger is voor het daarop vallende licht. Ga je van ISO 100 naar ISO 200, dan is de sensor twee keer zo gevoelig voor het  licht. Van ISO 200 naar ISO 400 gaan we weer verdubbelen, enzovoorts. Hoewel hogere ISO-waarden steeds zorgen voor meer ruis iets en wat minder topscherpe beelden, kunnen moderne camera’s echt wel hoge waarden aan op een zeer goede kwaliteit. En laat dit nu net een van de punten zijn dat als je gaat inflitsen op je onderwerp: het onderwerp toont niet alleen minder ruis, het zal ook scherper zijn.

Dit heb je nodig

Welke apparatuur heb je nodig om te kunnen starten met experimenteren zonder dat je al te gekke bedragen hoeft uit te geven? Uiteraard zijn een camera en lens een must. Verder ga ik in dit artikel uit van een opzetflitser (ook wel speedlight genoemd), die je zowel manueel als in de TTL-stand kan bedienen. Dit kan een merkeigen flitser zijn, maar evengoed een flitser van een andere fabrikant die geschikt is voor jouw toestel.

Vaak kan je dergelijke derdepartijflitsers in een pakket aanschaffen, samen met een zender die de speedlights op afstand kunnen triggeren. Let goed op dat je een set koopt die compatibel is met jouw cameramerk. Die zenders kunnen in de meeste gevallen ook de flitsers via het TTL-systeem en in high speed sync aansturen. Dat is gemakkelijk voor mensen die niet beschikken over een lichtmeter.

Als je ten slotte ook nog zorgt voor een lichtstatief om de flitsers op te plaatsen en een goedkope witte doorschietparaplu met een diameter van ongeveer 1 meter, dan kom je al een heel eind. Met de vijf beschreven sleutelbegrippen en het materiaal op zak kunnen we vertrekken voor onze eerste flitsavonturen.

Oefenen maar!

Voor een eerste oefening gaan we van iemand een close-upportret maken met de opzetflitser op het toestel. Meer nog, we gaan het heel eenvoudig maken en stellen de camera in op diafragmavoorkeur (A-stand) en de flitser op TTL zonder enige compensatie.

Je zal al heel snel merken dat dit niet de meest flatterende beelden oplevert. Het licht is erg vlak en ook heel hard. Vlak licht of, zoals ze in Vlaanderen zeggen, plat licht ontstaat doordat de lichtbron uit dezelfde richting komt als de lens. Het probleem is dat je dat als fotograaf heel moeilijk kan oplossen. De flitser staat immers boven op de camera en zal je dus steeds blijven volgen ongeacht uit welke hoek je fotografeert. Erger nog, als je van onder naar boven fotografeert, volgt je licht en zal het schijnen vanonder uit. Weet dat dit zeer onnatuurlijk overkomt, want licht komt van nature van boven. Dergelijk licht als hoofdlicht wordt daarom alleen gebruikt in horrorfilms. En dat laatste zal je model niet graag horen.

In dit drieluik zie je dat het licht de lens volgt. Ongeacht de hoek tussen lens en model, het licht blijft hard en vlak. Bovendien merk je in het laatste beeld dat indien je van beneden naar boven fotografeert, je een soort van ‘horror’-belichting krijgt.

Ook al zijn dit geen erg mooie beelden, doe ook deze oefening, want ook hier leer je mee. Het harde licht herken je aan het feit dat de aflijningen tussen de hooglichten en de schaduwen erg zijn afgetekend. Is dit per se lelijk? Neen, maar het is wel moeilijker om er sterke portretten mee te maken en dit artikel is geschreven voor beginners.

Aan de aflijning tussen schaduw en hooglichten kan je zien of er hard of zacht licht is gebruikt.

Nog meer oefenen

Maar volgens velen is de oplossing nabij. Er zit bij de opzetflitser gelukkig altijd een diffuuskap, meer bepaald een klein plastiek potje. Gaat dit je licht nu zachter maken? Het antwoord is heel eenvoudig: neen. Het zal ervoor zorgen dat het licht dat uit je flitser komt alle richtingen uitgaat. Soms heb je dan het geluk dat een deel van dat licht een witte muur of plafond raakt, en dat er daardoor zachter licht ontstaat. Maar voor hetzelfde geld raakt dat ongecontroleerde licht een rood plafond, waardoor er juist een rode gloed in je foto komt.

Voor het portret op de foto rechtsboven had ik een mooi wit plafond en richtte ik mijn opzetflitser in een hoek van ongeveer 45 graden naar boven. Merk op dat de kwaliteit van het licht in dit beeld al een stuk beter is. De reden is dat het licht veel zachter is,  omdat het plafond veel groter is dan de flitser en nu de lichtbron vormt. Bovendien voelt het licht nu wel natuurlijk aan omdat het van boven komt. We hebben het licht op een zeer eenvoudige manier omgevormd.

De belichting is nog wel vrij vlak, want het licht komt nog steeds uit de hoek van onze lens. Om die reden is het nu tijd om de opzetflitser van onze camera af te halen en deze te plaatsen op een lichtstatief of lichtstand. Probeer hierbij ook gebruik te maken van lichtstanden die hoog genoeg zijn, zodoende dat je je lichtbron van bovenaf kan laten komen. In fotospeciaalzaken kunnen ze je hiermee zeker helpen.

Het resultaat van de opzetflits onder een hoek van 45 graden gericht op het plafond. Nu is het plafond een grote en veel zachtere lichtbron. Het licht is bovendien minder contrastrijk, waardoor oneffenheden in de huid ook minder worden geaccentueerd.

Eens de flitser van de camera is, plaats je de bijhorende zender op de  flitsschoen. Deze zal de externe flits van op afstand laten afvuren, zoals eerder vermeld. Indien het merk compatibel is stuurt hij meestal TTL-gegevens door en werkt hij ook in highspeed sync-modus. Dat zorgt ervoor dat je de grens van de maximale flitssynchronisatietijd kan overschrijden zonder zwarte banden in beeld te krijgen. Hoe dit technisch allemaal gebeurt, leidt te ver voor dit beginnersartikel. Wil je weten hoe het precies zit, google het gerust even.

Vervolgens ga je het licht van de opzetflitser, welke van nature uit vrij hard is om mensen te portretteren, omvormen naar een zachtere lichtbron. Dit doe je bij deze oefening door gebruik te maken van een witte doorschietparaplu met een diameter van ongeveer 1 meter. Net zoals bij het flitsen via het plafond zorg je er zo voor dat de lichtbron groter wordt en dus ook zachter. Daarbij houd je rekening met het volgende feit: hoe groter de lichtbron is ten opzichte van het onderwerp, hoe zachter het licht zal zijn.

Hard versus zacht licht

Met deze wetenschap in het achterhoofd maak ik met een opstelling met paraplu twee identieke portretten. Bij het eerste portret staat de flitser met paraplu dicht op het model, bij het tweede staat de opstelling wat verder weg. Zie de twee schematische overzichtsbeelden op deze pagina. In welke situatie zouden we dan het zachtste licht hebben bij het maken van het beeld? Probeer hier voor jezelf eerst een antwoord op te geven alvorens je het artikel verder leest.

Het enige correcte antwoord is dat het licht bij het eerste portret een stuk zachter zal zijn dan bij het tweede. Dat is ook vrij eenvoudig te verklaren. Ga met de paraplu op de verste plaats staan en vraag aan het model of hij of zij naar de paraplu wil kijken. Wandel vervolgens met de paraplu richting je model zodat de paraplu dichterbij komt. Vraag vervolgens aan het model of de paraplu voor hem of haar nu optisch groter of kleiner wordt. Hoe dichterbij de paraplu komt, hoe groter deze zal worden ten opzichte van het model. Bijgevolg zal ook het licht zachter worden. Bovendien zal door de omgekeerde kwadratenwet bij het eerste portret het lichtverval sneller gebeuren, waardoor je ook een boeiender spel van licht naar schaduw krijgt. Bij het tweede portret is dit verval veel minder en gaat het licht dus veel egaler ogen.

Hoek van het licht

Nu we onze lichtbron van de camera hebben gehaald, hebben we de vrijheid om zelf de hoek tussen de lens en de lichtbron te bepalen. Bij de eerste foto die we gaan maken laten het licht quasi uit dezelfde richting komen als de lens. Op de foto linksboven zie je dat we dan zacht licht krijgen door de omvorming met de paraplu. Maar je ziet ook dat het vrij vlak blijft ogen.

We verplaatsen de lichtbron vervolgens op ongeveer 35 tot 45 graden weg van de lens. Je zal zien dat er nu veel meer spel komt van licht en schaduw. Daardoor komt er plots ook veel meer diepte in het portret. Zoals je op de overige twee beelden op deze pagina kan zien, kan je zo zelfs erg dramatisch licht creëren. Je hoeft alleen de hoek nog groter te maken.

Met andere woorden, hoe groter de hoek is tussen de camera-lenscombinatie en de lichtbron, hoe minder vlak het licht in je foto zal ogen. Experimenteer hier zeker mee! Met deze oefening ga je in de praktijk aanvoelen hoe je sfeer en licht kan wijzigen door zelf te bewegen en de hoek tussen licht en lens te wijzigen.

Meer uitdaging

Om toch nog te kunnen afronden met iets of wat uitdaging, is het zeker de moeite waard om de volgende opdracht eens zelf in de praktijk uit te testen. Deze oefening bewijst dat je zelfs met eenvoudige technieken een mooi resultaat kan boeken. Neem een model mee naar een locatie en probeer hier twee totaal verschillende foto’s te maken qua look-and-feel.

We gaan gebruikmaken van onze opzetflitser voorzien van een doorschietparaplu (of een softbox speciaal gemaakt voor opzetflitsers) op een lichtstand. Deze lichtbron zetten we in een hoek tussen de 40 en 60 graden ten opzichte van de lens, zie de foto hierboven. Voor we de eerste foto van het model maken, stellen we onze camera in op diafragmavoorkeur (in mijn geval f/2.2) en proberen we de omgeving correct te belichten. In mijn geval lees ik af dat de camera kiest voor volgende instellingen bij f/2.2: een gevoeligheid van ISO 200 en een sluitertijd van 1/500ste. Om te vermijden dat de camera bij elke foto steeds andere instellingen gaat bepalen, zet je de camera nu op manueel en stel je deze instellingen in. Als je een lens hebt die minder lichtgevoelig is, ga je uiteraard kleiner diafragma gebruiken, bijvoorbeeld f/4.0 of f/5.6. Dat zal ook resulteren in een andere sluitertijd.

Zet vervolgens je zender en je opzetflitser aan en stel deze in op de TTL-stand in High Speed Sync (consulteer hiervoor de handleiding van je materiaal). Je zal merken dat de hoeveelheid flitslicht bij elke foto die je maakt niet exact hetzelfde is. Dat is omdat er een berekening wordt gemaakt op basis van de hoeveelheid licht die door de lens van de camera valt – en de (licht)omstandigheden kunnen wijzigen. In het tweede deel van deze artikelreeks zal ik hier zeker dieper op ingaan. Dan geef ik je ook enkele trucs om het probleem te omzeilen. Dus nog even geduld … Probeer door te compenseren met de TTL-stand (EV+ of EV- , dus meer licht of minder licht) om op een punt te komen dat je model mooi is uitgelicht. De belichting van het model  moet goed in balans zijn met het licht van de omgeving. Op deze manier heb je door wat extra flitslicht in de compositie te brengen het licht verbeterd. Daarmee geef je je model meer aandacht, zoals je op de foto rechtsonder kan zien.

Stel nu de camera op deze locatie in zodat de omgeving een tweetal stops wordt onderbelicht. In mijn geval stel ik dus het volgende in: ISO 200, f/2.2, 1/2000ste. Vervolgens maak je terug foto’s met de flitser op afstand in de TTL/HSS-stand en compenseer je op gevoel en waar nodig. Zie mijn resultaat op de foto hieronder. Op deze manier krijg je dus met dezelfde middelen en hetzelfde model op een zelfde locatie een beeld dat er totaal anders uitziet en totaal anders aanvoelt!

Tot slot: probeer vooral veel te oefenen met verschillende instellingen zoals beschreven in dit artikel. Dan ben je zeker klaar voor het vervolgartikel in Shoot 85. Daarin geef ik je een pak extra praktische tips voor nóg meer flitsuitdaging!

Peter Nackaerts, de auteur van dit artikel, heeft een passie voor licht. Ook de foto’s zijn door hem gemaakt. Meer informatie over zijn werk vind je op zijn website. lees ook zeker zijn artikel rond beginnen als professioneel fotograaf.

Advertentie



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in