camera kit uitgesteld onderdelen

De soorten camera's ken je, maar hoe zit het met de verschillende onderdelen? Wij gidsen je door je toestel, van lens tot batterij.



Op de hoogte blijven van onze nieuwste artikelen?

Schrijf je dan in voor onze nieuwsbrief en ontvang elke week onze beste artikelen in je mailbox.


De soorten camera’s ken je, maar hoe zit het met de verschillende onderdelen? Wij gidsen je door je toestel, van lens tot batterij. Een camera is een instrument om licht om te zetten naar een beeld. Vroeger gebeurde dat met chemische fotofilm, die je bij de fotograaf liet ontwikkelen en afdrukken. Maar vandaag is dat vooral een digitaal proces. Je camera is eigenlijk een kleine computer die het binnenvallende licht omzet naar een digitaal bestand. Het licht bereikt de camera door de lens en valt dan op de beeldsensor.

Beeldsensor

De beeldsensor is het hart van een digitale camera. Een beeldsensor bevat miljoenen lichtgevoelige cellen die pixels worden genoemd. Wanneer je een foto maakt, registreren de pixels hoeveel licht er binnenvalt, waarop ze dat naar een elektrisch signaal vertalen. Hoe meer licht een bepaalde pixel registreert, hoe sterker het signaal dat die pixel doorgeeft zal worden.

Het aantal pixels op de beeldsensor bepaalt hoeveel detail je camera kan weergeven. Een camera met tien miljoen pixels – wat gelijkstaat aan tien megapixel – legt voldoende detail vast voor foto’s die je op A4-formaat afdrukt. Heb je meer pixels, dan zijn nog grotere afdrukken mogelijk.

Camera sensor schoonmaken lens

De verschillende sensorformaten uitgelegd

Bijna alle analoge fotocamera’s werken met rolletjes van zogenaamde 35mm-film. Een negatief van zo’n 35mm-film meet exact 24 op 36 millimeter, en dat formaat was voor elke camera hetzelfde. Bij digitale beeldsensors bestaan er daarentegen heel wat verschillende formaten. Er bestaan in de eerste plaats sensors die exact even groot zijn als een 35mm-film, dus 24 op 36 millimeter. Een zogeheten ‘full-frame’-sensor is erg duur. Het belangrijkste voordeel is dat je ook bij weinig licht nog erg goede foto’s kan maken, omdat de pixels op zo’n grote sensor in verhouding ook veel groter zijn.

Veel spiegelreflexcamera’s en systeemcamera’s hebben echter een beeldsensor die kleiner is dan een 35mm-negatief. Heel populair is het zogenaamde APS-C formaat, waarbij de sensor ongeveer 16 op 24 millimeter meet. Je vindt het in camera’s van bijna elk merk. Nog een veelgebruikt sensorformaat is te vinden in de camera’s van Olympus en Panasonic. Die gebruiken een ‘Four Thirds’-sensor, en die meet exact 13,5 x 18 millimeter. Het APS-formaat en het Four Thirds-formaat zijn dus kleiner dan een full-frame sensor, maar ze zijn in elk geval nog véél groter dan de sensor in een doorsnee compactcamera of smartphone.

Sensor formaten camera

In de afbeelding zie je hoe de meest voorkomende sensorformaten zich tot elkaar verhouden. Het vergelijkingspunt is de 35mm, full-frame beeldsensor. Een sensor kan groter zijn, zoals de medium format-beeldsensor die in peperdure professionele studiocamera’s gebruikt wordt. De beeldsensor in de meeste spiegelreflex- en systeemcamera’s op instapniveau zijn van het APS-C- of Four Thirds-formaat.

Resolutie

Het aantal pixels op een beeldsensor bepaalt de resolutie van een camera. Hoe hoger de resolutie, hoe meer detail de camera kan vastleggen, en hoe groter je de foto kan afdrukken zonder dat je aan kwaliteit inboet.

Resolutie wordt uitgedrukt in megapixel. Een megapixel is één miljoen pixels. Een beeldsensor met 4.000 (horizontaal) bij 3.000 (verticaal) pixels bevat in totaal 12 miljoen pixels of 12 megapixel. Welke resolutie je nodig hebt, hangt tegenwoordig vooral af van het afdrukformaat dat je wil bereiken. Wil je de foto’s gewoon op een website of op je Facebook-pagina zetten, dan is de resolutie niet zo belangrijk. Maak je een foto die op een dubbele pagina in een professioneel tijdschrift wordt afgedrukt, dan is een hoge resolutie wenselijk. En voor een reclamebord al helemaal.

Lenzen

De lens mag je wel het oog van de camera noemen. Door de lens kijkt de camera naar het stukje van de wereld dat je op foto wil vastleggen. De kwaliteit en de eigenschappen van de lens bepalen voor een groot deel hoe je foto eruit zal zien.

Om precies te zijn moeten we over een objectief praten. Een objectief bestaat uit meerdere aparte lenzen, die uit glas of kunststof vervaardigd zijn. Niettemin is de benaming lens ingeburgerd. Gebruik gerust beide termen door elkaar.

Het objectief bundelt de lichtstralen die binnenvallen, zodat ze op de beeldsensor terechtkomen. Door een van de elementen in het objectief te laten bewegen, kan de camera scherpstellen op een onderwerp. Daardoor wordt het voorwerp scherp afgebeeld op de foto.

Met de meeste lenzen kan je manueel scherpstellen door aan een ring op de lens te draaien, tot het onderwerp dat je scherp wil hebben ‘in focus’ staat. Het is handiger om met autofocus te werken. Daarbij stuurt de camera zelf de lens aan tot het onderwerp ‘in focus’ is. Bij een moderne reflex- en systeemcamera’s duurt het maar een fractie van een seconde voor de autofocus klaar is.

Camera lens objectief

Wat is de brandpuntsafstand?

Lenzen verschillen van elkaar in brandpuntsafstand. Dat is de afstand tussen het centrum van de lens en de beeldsensor, uitgedrukt in millimeter – bijvoorbeeld 28 mm, 50 mm of 85 mm. Hoe kleiner de brandpuntsafstand, hoe groter de ‘beeldhoek’ of het deel van de wereld dat door de lens te zien is. Voor landschappen en gebouwen is een korte brandpuntsafstand nodig. Een lange brandpuntsafstand is dan weer ideaal om verafgelegen onderwerpen te fotograferen. Met name voor sport- en natuurfotografie zijn brandpuntsafstanden van 200 mm en hoger onmisbaar.

Sommige lenzen hebben een vaste brandpuntsafstand; deze worden ook wel primes genoemd. Lenzen waarbij je de brandpuntsafstand kan wijzigen, heten zoomlenzen. Je hoort wel eens zeggen dat primes altijd beter zijn dan zoomlenzen, maar dat is een veralgemening die niet altijd opgaat. Sommige (dure) zoomlenzen zijn beter dan oudere primes.

Om de brandpuntsafstand correct te interpreteren, moet je rekening houden met het sensorformaat van je camera. De brandpuntsafstand van een lens is een fysiek kenmerk dat altijd hetzelfde is, maar wat er op de foto te zien zal zijn, hangt af van het sensorformaat. Het full-frame formaat dient daarbij als referentiepunt.

Neem bijvoorbeeld een reflexcamera met full-frame beeldsensor en een reflexcamera van hetzelfde merk met APS-C beeldsensor. We plaatsen op beide camera’s dezelfde lens, bijvoorbeeld met brandpuntsafstand 50mm. Op de full-frame camera werkt die lens zoals we zouden verwachten.

brandpuntafstand 50mm lens

De kleinere APS-C beeldsensor registreert echter alleen het licht in het midden van de lens. Het licht dat buiten de beeldsensor valt, wordt niet geregistreerd. Het effect daarvan is ongeveer alsof we een lens met langere brandpuntsafstand op een full-frame camera zouden gebruiken, eentje met brandpuntsafstand van 75 mm. We noemen dat effect de cropfactor van de kleinere beeldsensor.

Op een camera met kleinere sensor moet je de brandpuntsafstand met die cropfactor vermenigvuldigen om het equivalent op een full-frame camera te berekenen. Omgekeerd: als je ergens leest dat je voor voetbalfotografie het best een 300mm-lens gebruikt, moet je die brandpuntsafstand delen door de cropfactor als je een camera met kleinere beeldsensor hebt.

Als je dezelfde lens gebruikt, registreert de camera met crop-sensor alleen het licht in het midden van de lens. Wat buiten de sensor valt is niet te zien op de foto. Daardoor lijkt het alsof je op het onderwerp bent ingezoomd.

Hoe groot de cropfactor is, hangt van de sensor af. Camera’s met een sensor in APS-formaat hebben een vergrotingsfactor van 1,6x of 1,5x. Een 50mm-lens werkt op een camera met APS-sensor dus als een als 80mm- of 75mm-lens. Camera’s met een sensor in Four Thirds-formaat hebben een vergrotingsfactor van 2x. Een 50mm-lens werkt op een camera met Four Thirds sensor dus als een 100mm-lens.

Nikons systeemcamera’s met CX-sensor (zoals de ouder Nikon 1) hebben een cropfactor van 2,7x. De 10mm-lens die Nikon voor deze camera’s maakt, werkt dus als een 27mm-lens op een full-frame camera. Op een reflexcamera met een full-frame sensor is er uiteraard geen vergroting van de brandpuntsafstand: een 50mm-lens is hier gewoon een 50mm-lens.

Wanneer we in Shoot brandpuntsafstanden vermelden, gaat het steeds om de waarden voor 35mm-film (full-frame). Je moet die omrekenen naar jouw camera om te weten welk objectief jij nodig hebt.

Lichtsterkte

Een tweede belangrijk kenmerk naast de brandpuntsafstand van een lens is de lichtsterkte. Dat is de maat voor hoeveel licht de lens kan doorlaten. De lichtsterkte wordt bepaald door het diafragma, een verstelbare opening in de lens die regelt hoeveel licht er doorkomt.

Een lichtsterke lens heeft een grote maximale diafragma-opening. Daardoor bereikt er in dezelfde tijd veel meer licht de sensor dan bij een lens met een kleiner maximaal diafragma. Daardoor kan je in vergelijkbare omstandigheden met kortere sluitertijden werken, wat essentieel is om beweging te bevriezen (bij sport- en natuurfotografie) en om de kans op onscherpte door camerabeweging te verkleinen.

De prijs van een lens is echter evenredig met zijn lichtsterkte, en lichtsterke telelenzen kosten een klein fortuin.

lens objectief lichtsterkte

Welke lens kies ik?

De lenzen op een reflex- en systeemcamera kunnen verwisseld worden, en dus is er een groot aanbod om uit te kiezen. Voor elke toepassing kan je de ideale lens kiezen. Hou er wel rekening mee dat elke camerabouwer zijn eigen type lensvatting gebruikt om lens en camera op elkaar aan te sluiten. Je kan dus niet zomaar een lens van cameramerk A op een camera van merk B gebruiken.

Dat lenzen verwisselbaar zijn, wil niet zeggen dat je ze per se moet verwisselen. Wanneer je een nieuwe camera koopt, is die meestal gebundeld met een kitlens. Dat is meestal een zoomlens – een lens met variabele brandpuntsafstand, bijvoorbeeld 18 tot 55 millimeter. Doordat je de brandpuntsafstand kan veranderen, kan je met die ene lens goed aan de slag. Zolang je alleen die lens gebruikt, kan je die gewoon op de camera laten zitten.

Welke soorten lenzen zijn er?

Een groothoeklens heeft een lage brandpuntsafstand en dus een brede beeldhoek. Daardoor is hij erg geschikt voor landschaps- en architectuurfotografie. Hij vervormt het perspectief: wat dicht bij de camera staat, wordt veel groter in beeld gebracht.

Telelenzen hebben een lange brandpuntsafstand en daardoor een nauwe beeldhoek. Ze halen wat veraf staat als het ware dichterbij. Daardoor zijn ze geschikt voor het fotograferen van verre onderwerpen waar je niet dichterbij mag of kan komen, zoals dieren of sporters. Telelenzen met een heel grote brandpuntsafstand (bijvoorbeeld 300, 400 of 500 mm) heten ultratelelenzen. Een korte telens (85 mm of 105 mm) is erg geschikt voor portretfotografie.

Ook superzoomlenzen zijn populair. Dit zijn lenzen met een heel groot zoombereik – 10x of meer. Je krijgt daardoor een heel groot bereik aan brandpuntsafstanden, waardoor je heel uiteenlopende situaties kan fotograferen zonder dat je van lens moet wisselen. Dat is niet alleen handig, het elimineert ook de kans dat er stof in je camera belandt tijdens het wisselen van lenzen. Je komt op een reis ook toe met één lens, zodat je minder gewicht moet meezeulen.

Vroeger zat bij haast elke reflexcamera een zogenaamd standaardobjectief met een vaste brandpuntsafstand van 50 mm en een groot maximaal diafragma (meestal f/1,8). Die lenzen zijn nog steeds te vinden, en ze zijn erg goedkoop. Wanneer je die gebruikt op een digitale SLR met een APS-formaat sensor, heb je een lichtsterke korte telelens (75 mm) die vier keer meer licht binnenlaat dan de doorsnee kitlens. Door het grote diafragma zijn ze ideaal voor portretten met een onscherpe achtergrond.

Een macrolens is bedoeld om voorwerpen van dichtbij te fotograferen, zodat ze de foto vullen. Denk aan insecten, bloemen en muntstukken. Hoe schuwer het diertje dat je wil fotograferen, hoe langer de brandpuntsafstand van je macrolens zal moeten zijn.

Canon lenzen

Zoeker en scherm

Een belangrijk onderdeel van een camera is de zoeker. In de zoeker zie je precies wat er door de lens te zien is. Je gebruikt hem om het onderwerp in beeld te nemen. Op het moment dat je afdrukt om de foto te maken, klapt de spiegel in een reflexcamera op, zodat de beeldsensor belicht kan worden. Tijdens de opname wordt de optische zoeker heel eventjes zwart, omdat de spiegel er geen licht meer naar afleidt.

Je kan natuurlijk ook het lcd-scherm gebruiken om je onderwerp in beeld te nemen. Die functie heet Live View. Wanneer je Live View gebruikt (bij een DSLR), blijft de spiegel opgeklapt, zodat de beeldsensor constant belicht wordt en een live beeld op het schermpje kan tonen.

Een systeemcamera bevat geen spiegel of optische zoeker. Bij dit type camera gebruik je het lcd-scherm om je onderwerp in beeld te nemen, net zoals bij een compactcamera.

Op de meeste systeemcamera’s kan je echter wel een elektronische zoeker of electronic viewfinder (EVF) gebruiken. Dat is in feite een miniatuur lcd-schermpje dat ongeveer even groot is als een optische zoeker. Het toont echter geen optisch beeld, maar een elektronisch beeld.

Soms zit die EVF ingebouwd, soms is het een accessoire dat je apart moet aankopen. Het voordeel van een EVF is dat je je oog er vlak voorhoudt. Daardoor heb je geen hinder van fel zonlicht, wat bij een gewoon lcd-scherm wel een probleem kan zijn.

LCD scherm Live View

Statusschermpje

Op heel wat DSLRs vind je bovenaan een klein monochroom scherm. Dat toont de belangrijkste instellingen van de camera. Je kan hier bijvoorbeeld zien hoeveel foto’s er nog op de geheugenkaart passen en tijdens het fotograferen verschijnen hier de waarden voor diafragma en sluitertijd. Op instapmodellen is er geen statusschermpje; de informatie wordt dan op het grote kleurenscherm achter op de camera getoond.

Flitser

Heel wat digitale reflexcamera’s en sommige systeemcamera’s bevatten een ingebouwde flitser. Wanneer er te weinig licht is om een goede foto te maken, kan je deze flitser een extra portie licht laten produceren.

Wanneer je de camera in volautomatische stand gebruikt, dan zal de flitser automatisch opklappen wanneer de camera de flitser wil gebruiken. Anders moet je op het flitsknopje duwen om de flitser te laten uitklappen. Na elke flitsfoto heeft de flitser heel even nodig om weer op te laden.

Aan de bovenkant van de meeste reflexcamera’s en systeemcamera’s zit een ‘schoentje’ waarop je een externe flits kan monteren. Net als bij objectieven kan je kiezen tussen flitsers van het cameramerk zelf en van andere merken. Wil je een flitser van een ander merk, ga dan na of die wel op jouw camera gebruikt kan worden.

Welke geheugenkaart gebruik je?

Een digitale camera bewaart zijn foto’s op een geheugenkaart. De capaciteit van een geheugenkaart wordt net als die van andere digitale opslagmedia gemeten in gigabytes (GB). Een gigabyte komt overeen met ruwweg duizend megabyte. Geheugen wordt steeds goedkoper. Wanneer we dit schrijven, kost een kaartje van 64 gigabyte 30 euro of minder. Op zo’n kaartje passen gemakkelijk duizend foto’s. Hoeveel precies, hangt af van de resolutie van je camera en van de kwaliteitsinstellingen die je gebruikt. Hoe lager de resolutie en hoe lager de kwaliteitsinstelling, hoe meer foto’s er op een kaartje passen.

Naarmate je meer foto’s neemt, wordt het geheugenkaartje gevuld. Je kan wachten tot het helemaal vol is om de foto’s op een pc te zetten of dat elke keer doen nadat je foto’s hebt gemaakt. Dat laatste is eigenlijk verstandiger. De kans dat er met een geheugenkaartje iets misloopt is klein, maar je zou wel eens per ongeluk alle foto’s kunnen wissen die op het kaartje staan.

Ga je voor een langere periode op vakantie, neem dan meerdere kaartjes mee en wissel regelmatig van kaartje. Zo voorkom je dat je alle vakantiefoto’s kwijt bent als je het kaartje verliest of als het stukgaat. Al je eieren in één mandje leggen is niet zo slim. Heb je meerdere geheugenkaartjes, dan moet je die veilig kunnen transporteren. Er bestaan speciale opbergdoosjes waarin je kaartjes van één of meerdere types kan opbergen.

Geheugenkaart in camera

Batterij

Om foto’s te maken heeft een digitale camera stroom nodig. Die wordt geleverd door een batterij. Er worden twee verschillende types gebruikt. Hier en daar zal je nog een oudere camera tegenkomen die gebruikt maakt van AA-batterijen, maar de meeste digitale camera’s werken vandaag met een herlaadbare li-ion-accu. Je vindt de batterij en de bijhorende lader dan in de doos. Het voordeel van li-ion-accu’s is dat ze een hogere capaciteit hebben dan AA-batterijen, en dat ze hun lading veel langer behouden. Je kan dus meer foto’s maken voor je camera zonder stroom valt. Het nadeel is dat ze duurder zijn én dat er geen standaardformaat voor bestaat: elk cameramerk gebruikt eigen types. Wil je een extra accu voor je camera, let er dan ook op dat je het juiste type koopt.

Sony camera en onderdelen

Op zoek naar nog meer informatie? Neem onze verklarende woordenlijst van de fotografie door!



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.