Weet jij alles over de geschiedenis van de fotografie? In dit artikel bespreken we het traject van de eerste foto tot de digitale camera.
Meer dan 125 edities van Shoot, het Nederlandstalige fototijdschrift voor inspiratie voor betere beelden. Geen beter moment om het over de geschiedenis van de fotografie zelf te hebben. Hoewel de fotografie zelf nog maar pakweg 200 jaar bestaat heeft ze al wel een heel interessante en uitgebreide geschiedenis.
Visuele kunsten bestaan al sinds de eerste homo sapiens grottekeningen schilderde en afgodbeeldjes in steen beitelde. Door de verschillende beschavingen en (kunst)stromingen heen evolueerden technieken en materialen. Het experimenteerwerk van pioniers werd gemeengoed. Grote namen en bekende werken staan in ieders geheugen gegrift. Kunst kan een enorme impact hebben op onze maatschappij en op ons als persoon. Fotografie werd al snel na zijn ‘geboorte’ een enorm belangrijke factor in de kunsten, in de media, in onze waarneming van de wereld.
Deel 1: de uitvinding van de fotografie
Eerst was er licht
Al lang voor er sprake was van fotografie, werd er onderzoek gedaan naar licht. Aristoteles (350 VOT) constateerde al beeldvorming door middel van een kleine opening. In 150 NOT beschrijft Claudius Ptolemeus het breken van licht door lenzen. De Arabische geleerde Alhazen experimenteerde met de camera obscura en stelt een theorie van lichtmeting op in 1038. In onze contreien duurt het tot 1267 eer Roger Bacon, een Engelse monnik, de camera obscura beschrijft. Hij heeft het over een spiegel waarmee het beeld onder een hoek te bekijken valt. Hij beschrijft ook als eerste de zichtbaarheid van het spectrum van licht in een glas water. Pas met Leonardo da Vinci (ca 1519) krijgt de camera obscura een echte beschrijving en tekening van hoe het werkt. Da Vinci vermeldt duidelijk dat het niet zijn eigen uitvinding is. Niet lang daarna publiceert Giovanni Battista Della Porta, een leerling van Michelangelo, details van de constructie en het gebruik van de camera obscura als hulpmiddel bij het tekenen. Later onderzoek toont aan dat al van ca. 1430 de camera obscura (zonder lens) werd gebruikt door tekenaars en kunstenaars.
In zijn boek De Codex Atlanticus uit 1515 schetst Leonardo da Vinci hoe een camera obscura werkt, lichtstralen inbegrepen. Beeld: Leonardo da Vinci
Wat is een camera obscura en hoe werkt hij?
Het principe van een camera obscura is heel eenvoudig. De basisvorm is een doos met een minuscuul gaatje in één van de zijden. De werkelijkheid van buiten de doos wordt omgekeerd geprojecteerd op de tegenoverliggende wand van de zijde met het gaatje. Lichtstralen reizen namelijk in rechte lijnen en veranderen wanneer ze worden gereflecteerd en gedeeltelijk geabsorbeerd door een object. Daarbij blijft informatie over de kleur en helderheid van dat object behouden. Verlichte objecten weerkaatsen lichtstralen in alle richtingen. Een klein genoeg opening in een wand laat alleen de stralen toe die rechtstreeks vanuit verschillende punten in de scène van de andere kant komen. De afmeting van het gaatje en de afstand tot de muur bepaalt hoe scherp de afbeelding wordt.
Camera Obscura’s werden al sinds de 15e eeuw gebruikt als hulpmiddel bij tekenen en schilderen. Vooral om het perspectief juist te krijgen waren ze interessant. Beeld: onbekend
Als je dit principe in een donkere, afgesloten tent of kamer toepast, en je dus zelf in die kamer kan staan, zie je dus wat zich buiten afspeelt ondersteboven en gespiegeld geprojecteerd op de muur. Tegen die muur werd door kunstenaars dan een schildersdoek of tekenpapier geplaatst en die schilderden dan over de projectie heen. Dat was een makkelijke manier om perspectief juist te krijgen.
Al gauw werden er draagbare camera obscura’s gemaakt waar door middel van een spiegel het beeld dan naar een tafelblad werd geprojecteerd. Daar werd dan een blad op gelegd en de afbeelding overgetekend.
Al snel kwamen er draagbare exemplaren van de camera obscura die werkten met spiegels. Beeld: onbekend
Vanaf ca 1560 experimenteren wetenschappers met lenzen en zelfs diafragma’s in camera obscura’s om zo scherpere beelden te verkrijgen. Een van hen was Johannes Kepler, die ook voor het eerst de term “camera obscura” (letterlijk vertaald ‘donkere kamer’) gebruikte in 1604. Vóór die tijd werden andere namen gebruikt.
De Hollandse meesters zoals Vermeer zouden gebruik hebben gemaakt van camera obscura om hun prachtige schilderijen te creëren. Er zijn berichten uit de 17e eeuw die beschrijven hoe charlatans met een camera obscura tent rondtrokken en goedgelovige mensen lieten betalen om in die tent naar spoken en demonen te komen kijken. Handlangers met duivelsmaskers liepen dan buiten rond en werden binnen geprojecteerd.
Het licht vangen en vasthouden
Het hebben van een camera obscura is nog maar de helft van de puzzel. Je moet ook iets hebben dat lichtstralen omzet in een beeld dat je kan bewaren. Al tamelijk vroeg werd er gezocht naar welk effect licht had op bepaalde chemische samenstellingen. Ca 1250 ontdekte Albertus Magnus dat zilvernitraat in poedervorm zwart wordt bij blootstelling aan licht. 500 jaar later ontdekt Johann Heinrich Schulze per toeval de lichtgevoeligheid van zilverzouten.
Sommigen zien Thomas Wedgwood als de vader van de fotografie omdat hij in 1802 een methode bedacht om op chemische wijze het silhouet van een object op papier te branden door het papier te coaten met zilvernitraat en aan natuurlijk licht bloot te stellen. Hij en Humphrey Davy experimenteren eerst een paar jaar met in zilvernitraat gedrenkt leder dat aan licht wordt blootgesteld. Ze maken dus fotogrammen; een afdruk van een voorwerp dat direct op lichtgevoelig materiaal is gelegd en vervolgens belicht. Het is een vorm van fotograferen zonder camera. Maar ze kunnen de beelden niet fixeren. Na de belichting wordt het papier in een donkere kamer bewaard zodat het niet verder belicht wordt. De Wedgwood-“foto’s” konden dus enkel in een donkere kamer bekeken worden bij kaarslicht en vervaagden uiteindelijk.
Wedgwood wordt door sommigen gezien als de vader van de fotografie omdat hij een eerste keer een (tijdelijke) lichtgevoelige print van iets kon vastleggen. Dit echter zonder camera. Anna Atkins maakte een heel boek over botanie met deze techniek (fotogrammen, kalotypiën of nog andere namen werden gebruikt). Beelden: Thomas Wedgwood (Links), Anna Atkins (Rechts)
Er werd door de grote vooruitgang in kennis, het natuurwetenschappelijk positivisme en de industrialisatie rond de jaren 1830 hard gezocht naar manieren om snel, goedkoop en vooral correct beelden te kunnen maken om zo kennis en wetenschap makkelijker te verspreiden. Zo komen we uiteindelijk bij de ontwikkeling van de echte eerste foto’s en camera’s.
Niépce en de eerste foto ooit (1826)
Uitvinder Joseph Nicéphore Niépce was net als heel Frankrijk toen in de ban van lithografie, een druktechniek met kalksteen, water en vet. Niépce was een typische 19e-eeuwse gentleman-uitvinder uit een gegoede familie. Samen met zijn broer probeerde hij ook de eerste ontploffingsmotor uit te vinden (waar ze zelfs deels in slaagden).
Er bestaan geen foto’s van Niépce, één van de uitvinders van de fotografie. Dit is een heliogravure, een techniek ook uitgevonden door Niépce. Beeld: onbekend
Hij experimenteerde met chemicaliën op metalen platen en liet die drogen door de zon. Dit waren dus nog altijd fotogrammen. Deze techniek probeerde hij ook in een camera obscura, en uiteindelijk vond hij met een combinatie van tin, koper, lood en chemicaliën waaronder bitumen (asfalt) de juiste mix. Het bitumen droogde door de zon; in het licht werd de bitumen harder en donkerder. Waar er minder licht was, werd de minder harde bitumen afgespoeld door lavendelolie. Hij had nu een direct-positief. Een fysieke drager van lichtprojectie. De geboorte van de fotografie. Neen, sorry, heliografie zoals Niépce het noemde. De term ‘fotografie’ komt pas in 1834, van de Frans-Braziliaan Hercules Florence: “φωτός” (‘photos’, licht) en “γραφή” (‘graphé’, tekenen of schrijven).
Die eerste foto werd gemaakt in 1826 in Frankrijk. Het toont het uitzicht vanuit Niépce’s raam op een aantal daken op zijn domein genaamd Gras. Qua onderwerp nu niet meteen bijzonder interessant, het was dan ook een experiment. De titel is dan ook gewoon “point de vue du Gras”. De sluitertijd voor die eerste foto bedroeg (afhankelijk van de bron) 8 uur tot mogelijks enkele dagen.
Niépce was bijna niet erkend als maker van de eerste foto. Hij trok in 1827 naar Engeland en wilde zijn uitvinding voorstellen aan de Royal Society (het oudste wetenschappelijke genootschap ter wereld), maar omdat hij zijn geheime procedé niet wilde prijsgeven, kreeg hij geen gehoor. Hij stierf miskend in 1833.
Bij zijn vertrek liet Niépce de plaat en enkele andere stukken achter bij Franz (Francis) Bauer, een bevriend botanisch tekenaar en lid van de Royal Society. Bauer noteerde op de achterzijde de gegevens die de plaat later identificeerbaar maakten als Niépce’s opname. Na Bauers dood raakte het werk versnipperd: het werd geveild en ging achtereenvolgens door de handen van onder meer Robert Brown (British Museum) en J.J. Bennett, en vanaf 1884 door die van de familie Baden Pritchard. Uiteindelijk schonk Nora Z. Pritchard, de weduwe van Pritchards zoon, de plaat in februari 1952 aan de Duitse fotohistoricus Helmut Gernsheim.
Gernsheim liet er in 1952 een fotografische reproductie van maken door het Kodak Research Laboratory in Londen. Omdat het spiegelende tinnen oppervlak nauwelijks leesbaar was, werkte hij die kopie daarna met de hand (aquarel) bij tot het beeld duidelijk genoeg was. Dat bewerkte beeld, niet de originele plaat, is de versie die sindsdien overal circuleert. De echte plaat kan je bekijken aan de universiteit van Austin, Texas.
De bekende, in 1952 bewerkte reproductie van ’s werelds eerste foto. Het beeld op de originele plaat is veel minder leesbaar. Beeld: reproductie Kodak Research Laboratory / Helmut Gernsheim (1952), naar Joseph Nicéphore Niépce.
Die originele tinnen plaat kan je trouwens gaan bekijken in de universiteit van Austin, Texas. Je kan ook de kamer van Niépce bezoeken in Saint-Loup-de-Varennes en op de exacte plaats van die historische eerste opname staan, met een kopie van de originele camera obscura er bij.
De tinnen plaat van de eerste erkende foto. Bijna verloren gegaan, nu nog te bekijken in Texas. Beeld: Joseph Nicéphore Niépce
Daguerre en de daguerreotypie
De foto’s met de techniek van Niépce waren heel onscherp, hadden een superlange belichtingstijd nodig en de chemicaliën waren gevaarlijk en moeilijk. Louis Daguerre ging al in 1829 een partnership met Niépce aan (na diens dood met zijn zoon) en kwam in 1839 op de proppen met zijn eigen techniek, de Daguerrotypie, en claimde ook vaderschap van de fotografie. Daguerre ontdekt in 1835 de gevoeligheid van zilverjodide waardoor een kortere belichting mogelijk wordt (nog altijd 30 minuten). Na het belichten wordt het beeld op de verzilverde koperplaat zichtbaar door ontwikkeling van de kwikdampen. Het fixeren gebeurt in een sterke zoutoplossing. In 1838 maakte Daguerre de eerste foto met een mens in beeld: een schoenpoetser en zijn klant, ook vanuit een raam. Belichtingstijd 10 minuten. Het zijn unieke beelden, best te bekijken onder een bepaalde hoek vanwege het sterk spiegelende karakter. Ze vertonen veel details en hebben een ruime toonwaardenschaal maar zijn zeer kwetsbaar.
Met de Daguerrotypie worden veel scherpere foto’s gemaakt met kortere belichtingstijden. Dit is de eerste bekende foto met mensen in beeld. Beeld: Louis Daguerre
In de beginfase is het procedé nog onhandig, duur, en er is maar 1 exemplaar van elke foto. De camera’s wegen ca 50 kg. De behandeling van de platen is omslachtig en gevaarlijk. Door de grote belangstelling en verder onderzoek wegen de camera’s al snel ‘slechts’ 14 kg en worden de objectieven kwalitatiever waardoor belichtingstijden eerst 3 minuten en later nog korter worden, waardoor portretten mogelijk worden. De Franse regering koopt de techniek en schenkt de kennis aan de wereld. Iedereen is nu vrij om verder te experimenteren met deze techniek.
13 jaar later dan de eerste foto en de uitvinder, Louis Daguerre, is nu wel zo slim om zijn uitvinding zelf te gebruiken om een portret te maken. Beeld: Louis Daguerre
Talbot en Bayard: papiernegatief en eerste fotomontage
Talbot was een Engelse wetenschapper die al in 1833 fotogrammen maakte en die er in slaagde om in 1835 een papiernegatief te maken door het te drenken in een zoutoplossing en nadien te drogen in zilvernitraat. In 1839 hoorde hij over de Daguerrotypie en stelde hij zelf zijn uitvinding voor aan de Royal Society maar hij kon geen aanspraak meer maken op de uitvinding van de fotografie. Zijn grote troeven waren echter de reproduceerbaarheid en de lichtere en goedkopere drager: papier. Maar de Talbotypie kon niet wedijveren met de scherpte en detaillering van Daguerrotypie.
Even ongelukkig was Hippolyte Bayard, een eenvoudige beambte op het ministerie van financiën. Ook hij werkte met papier, zilverchloride en kaliumjodide waarvan het resultaat een direct-positiefafdruk was. Hij was echter net te laat want de onderhandelingen met Daguerre en de Franse regering waren net rond. Uit protest maakte hij een foto van zichzelf als verdronken man. Het is wellicht de eerste fictieve afbeelding uit de fotogeschiedenis én de eerste foto die een politieke lading had.
Al in 1840 werd door H. Bayard al ‘fake news’ gemaakt door zijn zelfportret als verdronken man. Beeld: Hippolyte Bayard
Archer
In 1851 ontwikkelt Frederick Scott Archer een nieuw procedé: de collodiumtechniek. Kaliumjodide werd in collodium opgelost en op een glasplaat gegoten. Dan wordt de plaat lichtgevoelig gemaakt door ze onder te dompelen in een zilvernitraatoplossing. De plaat wordt belicht terwijl ze nog nat is. Na belichten wordt de plaat ontwikkeld, gefixeerd en gespoeld. De beelden kunnen, net als de daguerrotypie, gekleurd worden met olieverf, waterverf of pastel. De techniek is goedkoper dan daguerrotypie, er kunnen meerdere afdrukken worden gemaakt, en de belichtingstijd kan tot enkele seconden herleid worden. Ze vertonen een fijne structuur. Ook Archer stierf in armoede omdat hij zijn uitvinding nooit ten gelde kon maken. Zijn techniek betekende het einde van de daguerrotypie. Later werd geëxperimenteerd met andere dragers zoals een dunne ijzeren plaat (“black plate” of “tintypie”).
Ambrotypie (nat collodiumtechniek) door onbekende fotograaf van een oorlogsveteraan en zijn vrouw, 1860. Beeld: Frederick Scott Archer
Kodak, rolfilm en de eerste camera voor iedereen
George Eastman, overdag nog werkend in een bank, komt in 1879 al op de proppen met een systeem om gebruiksklare glasplaten in serie te produceren. Hij blijft verder experimenteren en ontwikkelt in 1884 de eerste praktisch bruikbare papierrolfilm. Het is echter Hannibal Goodwin die de rolfilm op celluloidebasis uitvindt in 1887. Een jaar later verovert Eastman de markt met de ‘kodak’. Een met leer beklede doos van 16,5 x 9,5 cm en 700 gram, geladen met een cellulosefilm. Hun slogan “jij drukt op de knop, wij doen de rest” is een revolutie in de fotografie. Iedereen is -dan al- fotograaf. De camera’s doen hun werk in oorlogen, in huiskamers, in alle aspecten van het leven. In 1900 komt de Kodak Brownie uit. Die boxcamera kostte maar 1 dollar. Fotografie zal vanaf nu echt onderdeel worden van wetenschap, kunst, media, en blijven evolueren met als belangrijke tussenstap de ontwikkeling van de leica in 1935 met de 35mm film.
Beeld: Kodak
Verdere weetjes
De eerste vrouwelijke fotograaf zou ofwel Anna Atkins zijn geweest, ofwel Constance Fox Talbot. Er zijn geen overgebleven foto’s van hen, dus er is veel academische discussie rond.
Felix Nadar wou een foto nemen vanuit de hoogte, uit een luchtballon. Er werd zoveel publiek verwacht dat ze een systeem zochten om die op veilige afstand te houden. Ziehier de ontwikkeling van nadarhekken (1855).
Al zo vroeg als 1868 wordt een kleurenfoto gemaakt. Het zal wel nog ongeveer 100 jaar duren eer dat algemeen in gebruik wordt genomen.
Eadweard Muybridge slaagt er na 6 jaar proberen in 1872 in om te bewijzen dat een paard een moment kent in galop waarop het de grond niet raakt.
Fototijdschriften bestonden al in 1889. Eén ervan berichtte dat er ca 7000 negatieven per dag ontwikkeld werden in 1 kodak-vestiging.
De eerste polaroid werd gemaakt in 1948.
De eerste wegwerpcamera kwam in 1949 op de markt.
In 1975 ontwikkelt Kodak het eerste prototype van de digitale camera. De opnames worden opgeslagen op cassettes en de camera heeft 0,01 megapixel. Sony brengt in 1981 de eerste digitale camera op de markt.
Deel 2: de eerste stromingen in de fotografie (1830-1900)
Waar fotografie eerst bijna puur wetenschappelijk (want “objectief”) werd ingezet, kwamen er toch al snel verschillende visies, methodes en experimenten. Meer en meer werd fotografie als kunstmedium gezien, en fotografen dus als kunstenaars. Maar daar gaan wel enkele decennia over.
Arts en neuroloog Duchenne deed in de jaren 1850 onderzoek naar de elektrische impulsen in het gelaat. De nieuwe techniek van fotografie hielp hem om de uitdrukkingen vast te leggen. Beeld: onbekend
Tijdslijn van de stromingen in de fotografie
Ik heb voor jullie gemak een tijdslijn gemaakt van de stromingen in de fotografie. Natuurlijk lopen sommige periodes gelijktijdig, of in elkaar over, en soms is een exact begin of einde moeilijk te dateren. Sommige stromingen beginnen in een bepaald deel van de wereld vroeger of eindigen later.
Niet alle foto’s zijn erg duidelijk onder één specifieke stroming onder te brengen. Daarin hebben we veel gemeen met alle andere kunststromingen in de geschiedenis van de mensheid; van architectuur over schilderkunst tot muziek. Kunst is een levend ding, de maatschappij ook, en alle invloeden van het een stromen over in het ander. Deze indeling geeft een eenvoudig overzicht weer van wat fotografiehistorici als de grote stromingen zien; uiteraard is er over alles wel een beetje discussie en zal je bij andere bronnen een andere indeling kunnen terugvinden.
Tijdslijn van de (kunst)stromingen in de fotografie. Beeld: Jo Haegeman
Realistische fotografie (1830-1880)
Zoals we hierboven zagen, waren de eerste foto’s pure waarnemingen van de werkelijkheid. De foto van Niépce was een zicht over de daken van zijn domein, de foto van Daguerre was een zicht op de straat.
Lange tijd bleef een fototoestel een bijna puur wetenschappelijk instrument om de werkelijkheid vast te leggen. Men kon er immers van uit gaan dat een foto niet kon liegen. Een tekening of schilderij kon dat net wel.
Talbot fotografeerde deze hooistapel in 1844. Voor ons misschien een saaie foto, maar toen een klein wereldwonder. Beeld: Henry Fox Talbot
Vele beoefenaars van de fotografie op dat moment waren ook gewoon al blij dat ze deze nieuwe techniek konden betalen of onder de knie konden krijgen (fotograferen was toen echt een moeilijke technische handeling), en hun publiek was al verwonderd door een eenvoudige foto van een schuur zoals ‘The Haystack’ van Henry Fox Talbot in 1844. Heel veel tijd en energie moesten ze dus niet steken in het creëren van unieke scènes, sociale boodschappen, of kunstzinnige experimenten.
Muybridge gebruikte de camera als wetenschappelijk instrument om o.a. te bewijzen dat een paard in galop een moment had waarop het de grond niet raakte (1872). Beeld: Eadweard Muybridge
Kunstenaars uit die periode (en al zeker kunstschilders) vonden fotografie lelijk en vulgair. Echter was ook in de schilderkunst toen een realistische stroming aan de gang, met als één van de bekendste werken “l’Origine du monde” van Gustave Courbet. Zijn schilderijen werden vaak gelijkgesteld met fotografie omdat hij ook werken maakte vanuit de werkelijkheid (“die hij met zijn eigen ogen kon zien”). Volgens de critici klopte het ook niet dat fotografie en natuurgetrouwheid hetzelfde was als “waarheid”. Het realisme was de nieuwe vijand van de kunst en men geloofde dat het gevoed en ondersteund werd vanuit de fotografie.
Gustave Le Gray, 1857, Parijs. Scherp, objectief, de realiteit. Beeld: Gustave Le Gray
Vanaf het midden van de 19e eeuw werden er fototentoonstellingen gehouden, zoals men voor die tijd schilderijen, tekeningen en beelden had tentoongesteld. Fotografen concurreerden rechtstreeks met de oudere kunstvormen. Het afbeelden van de werkelijkheid kon de fotografie dan misschien wel beter, maar de kunst kon de mogelijkheden verkennen om méér dan de werkelijkheid uit te beelden. De impressionisten, bijvoorbeeld, wilden niet de werkelijkheid uitbeelden zoals hij was, maar de indruk die die werkelijkheid op een bepaald moment op een bepaalde plaats op hen had gemaakt. In het expressionisme wilden de kunstenaars vooral hun innerlijke leven uitdrukken, waarbij ze desnoods de werkelijkheid van vorm, kleur of ruimte konden veranderen.
Naturalistische fotografie (1850 – 1900)
De naturalistische fotografie sluit wat betreft thematiek aan bij de schilderkunst genres stilleven en landschap. Naturalistische fotografie ijvert voor een ‘eerlijke’ fotografie. Men moet deze stroming ook zien in de (nasleep van de) toenmalige overheersende kunststroming van de romantiek en het naturalisme. Terug naar de natuur, het verheerlijken van het ‘gewone’ rurale leven, het vinden van nationale symbolen, het zoeken naar ‘het sublieme’.
Het naturalisme was een reactie tegen de realistische fotografie in die zin dat de naturalisten vonden dat je bijvoorbeeld mensen moest fotograferen in hun natuurlijke habitat, en niet voor een geschilderd doek in een studio.
Peter Henry Emerson, “gathering water lilies”, 1885. Het idealiseren van het rurale leven was een centraal thema voor de naturalisten. Beeld: Peter Henry Emerson
Daguerre en Talbot worden als vertegenwoordigers van het naturalisme gezien, net als Peter Henry Emerson. Deze laatste was een arts en begon met het fotograferen van lokale boeren en vissers vanuit antropologische interesse, maar zoekt al snel zijn inspiratie in de natuur. Hij schrijft er een boek over: “Naturalistic photography for students of the art” in 1889. Een vaak geciteerde zin is “een foto is sterker wanneer die een directe ervaring met de natuur weergeeft”. Om die ervaring zo getrouw mogelijk weer te geven maakt hij gebruik van selectieve scherptediepte, waardoor enkel het belangrijkste element in de foto de aandacht van de kijker trekt. Emerson wijst verder ook op het belang van atmosferische effecten als mist of nevel, waar de horizonlijn precies moet liggen, enz.
Carleton Watkins, “Yosemite Valley, View from Inspiration Point”, 1879. Landschappen en woeste natuur moesten een tegengewicht bieden aan de oprukkende industrialisatie. Beeld: Carleton Watkins
De naturalistische fotografie trapt op die manier in zijn eigen valkuil, zoals onder andere de naturalistische literatuur dat doet: ze beweren het echte leven van de rurale bevolking of de prachtige natuur te brengen, maar idealiseren of romantiseren deze tot de waarheid die ze zo willen brengen terug helemaal verdraaid wordt.
Sociaal geëngageerde fotografie of sociaalrealisme (1850 – 1884, tot vandaag)
Voor sociaal geëngageerde fotografen is fotografie meer dan ‘mooie’ plaatjes maken. Het is op de eerste plaats een middel om de wereld te bekijken en om die wereld een spiegel voor te houden. Deze fotografen voelen zich erg betrokken bij sociale problematiek en behandelen hun onderwerp altijd met veel respect. Sensatie en overbodige dramatiek gaan ze daarbij welbewust uit de weg. Veelal ligt de focus op mens en zijn directe omgeving, die nogal problematisch is. Sommigen noemen dit ook wel humanistische fotografie.
Jacob August Riis (1849 – 1914) was een Deens-Amerikaanse hervormer en fotograaf. Zijn boek “how the other half lives” over de verschrikkelijke omstandigheden waarin huurders in New York rond de eeuwwisseling moesten leven was een zeer impactvolle aanklacht tegen die omstandigheden. Riis wordt ook gezien als een van de voorvechters van de casual photography. Bijna snapshot-achtige foto’s en voor het eerst ook gebruik van flits. Het gebruik van de flits kwam hem goed van pas tijdens zijn reportage in de slecht verlichte kamers van de New Yorkse donkere buurten.
De donkere stegen en nog donkerdere kamers van de achterbuurten in New York werden door fotograaf Riis in een aanklacht gegoten met veel effect voor de leefomstandigheden in die buurten. Beeld: Jacob August Riis
Terwijl kunstenaars nieuwe stromingen verkenden en het artistieke voor zichzelf reserveerden, gingen fotografen op pad om documentairebeelden te maken van alle aspecten van de soms rauwe werkelijkheid. Die werd door de steeds scherpere beelden steeds confronterender: gruwelijke beelden van de Amerikaanse burgeroorlog of de Krimoorlog werden breed verspreid. Datzelfde gold voor foto’s van de omstandigheden in de arme buurten van de steden, waar de gegoede burgerij nooit kwam, of van de bezienswaardigheden in de rijke kolonies die Europa in de 19e eeuw had. Die documentaires en familiekiekjes werden niet echt als kunst beschouwd, omdat de kunst vooral naar het schone en het ware moest zoeken.
Beroemde foto van Roger Fenton (1854), “the valley of the shadow of death”, van een weg beschoten met kanonskogels in de Krimoorlog. Beeld: Roger Fenton
De sociaal-geëngageerde fotografie is ontwikkeld tot de documentaire fotografie of fotojournalistiek die we vandaag nog altijd kennen. Op zoek gaan naar het (menselijk) verhaal en dat brengen met foto’s. Van grote media zoals Life Magazine en National Geographic tot lokale kranten; ze brengen ons de wereld op ons bord. De lijst van bekende fotografen in dit segment is zeer lang.
Frank Meadow Sutcliffe, “mudlarks”, 1880. Jonge strandjutters in de lokale vissersdorpen. Beeld: Frank Meadow Sutcliffe
Victoriaanse fotografie (1850 – 1900)
Het tijdperk van koningin Victoria (Engeland, 1837-1901) is een bijzonder interessante historische periode. En eentje die nog altijd onze verbeelding prikkelt, getuige de vele films, boeken en verhalen over die tijd. De rest van Europa vertoefde toen in de “Belle Epoque”. Zowel politiek, economisch, wetenschappelijk als op het vlak van de kunsten is het een woelige periode met veel botsingen en vooruitgang, een mix van de traditionele waarden en het vooruitgangsdenken. Op fotografisch vlak zien we de vierde grote stroming van die tijd. Voor de Victoriaanse fotografen mocht het melodramatisch, romantisch, zelfs pathetisch zijn. En schilderachtig. Verbeelding was belangrijk, de waarheid minder.
Er werd volop geëxperimenteerd met verschillende technieken, vooral het samenstellen van verschillende negatieven tot één foto. Oscar Rejlander maakte in 1857 “Two ways of life”, een beeld bestaande uit wel 30 negatieven met een overgekunsteld resultaat. Henry Peach Robinson creëerde een prachtige foto met 5 negatieven die voor het oog onzichtbaar zijn.
30 foto’s waren nodig om dit overdadig tableau te creëren. Oscar Rejlander, “two ways of life”, 1857. Beeld: Oscar Rejlander
Photoshop avant-la-lettre dus. De techniek werd ook gebruikt om groepsfoto’s te maken, waarbij sommigen achteraf gewoon werden toegevoegd. Of eigenaars van een hond wilden hun hoofd vervangen met het hoofd van hun hond, wat uiteraard geen probleem is…
Henry Peach Robinson, “fading away”, 1858. In de Victoriaanse fotografie werd al serieus geëxperimenteerd met combineren van verschillende belichtingen. Dit beeld is een combinatie van vijf foto’s. Beeld: Henry Peach Robinson
In de Victoriaanse tijd werd er niet gelachen op foto’s. In tegenstelling tot wat al eens foutief verteld wordt had het niets te maken met de lange tijd die nodig was om een portret te maken en zo lang een glimlach aan te houden. Sluitertijden konden toen al onder de 10 seconden blijven. Het had wel te maken met de kostprijs en de heersende cultuur. De meeste mensen (of families) konden slechts één foto in hun leven betalen. Lachen werd gezien als iets voor de dorpsgek en dronkaards (een overname uit de schilderkunst). Dus je wilde op dat statussymbool niet voor eeuwig als idiote dronkaard aanzien worden.
Een engelpersonage van Julia Margaret Cameron (“I can wait”, 1872). Beeld: Julia Margaret Cameron
Symbolische fotografie (1850 – 1900)
De symbolische stroming verschijnt op het einde van de 19e eeuw in Frankrijk. Het is een reactie op het impressionisme en ook op het sociaaleconomisch realisme. Jean Moréas schrijft in 1886 zijn “symbolisch manifest” waarin hij o.a. Charles Baudelaire als voorvader aanwijst.
Symbolische fotografie moest zeer duidelijk een kunststroming worden. Er moest een subjectieve zeggingskracht gegeven worden aan de menselijke figuur in een raadselachtige, magische samenhang tussen erotiek en dood. In de literaire wereld waren werken in dat thema al langer zeer populair (Edgar Allan Poe, Bram Stoker’s Dracula, Shelley’s Frankenstein, Baudelaire en Verlaine).
Soms werd de vrouw voorgesteld als belichaming van seksualiteit. Mythologie en geschiedenis werd door elkaar gebruikt om fantastische scènes neer te zetten. Schedels, kruisen, rozen, bomen, tombes en andere symbolen worden alom gebruikt. De filosofie en uitwerking van de symbolische fotografie zal uiteindelijk overgaan in het pictorialisme en wordt tot vandaag nog altijd gebruikt door fotografen als Erwin Olaf en Joel-Peter Witkin.
Deel 3: fotografie wordt kunst (1880-nu)
In deel 2 hadden we het over de stromingen van de tweede helft van de 19e eeuw. We zagen hoe fotografie eerst werd gebruikt als een bijna wetenschappelijk (‘objectief’) instrument, en hoe het dan probeerde een plaats te vinden in de kunststromingen van die tijd, met een hoop botsingen van meningen tot gevolg. Er werd al lustig geëxperimenteerd met verschillende belichtingen (photoshop-avant-la-lettre), en de eerste grote kunstbewegingen werden geboren. Naturalistische fotografie, Victoriaanse fotografie en symbolische fotografie zullen uiteindelijk leiden tot de grote kunststroming van de eeuwwisseling; die van het pictorialisme.
Anne Brigman, “Soul Of The Blasted Pine”. Een typevoorbeeld van picturalisme: dromerige sfeer, landschappen en naakten. De fotografe was hier haar eigen model. En dat al in 1907. Beeld: Anne Brigman
Picturale fotografie (1880 – 1920)
Het picturalisme is het best te omschrijven als een overgangsfase tussen schilderkunst en fotografie. Foto’s gemaakt in de picturale stijl worden gekenmerkt door een voor de hand liggende verhalende benadering van hun onderwerp. De foto’s lijken daarom geënsceneerd en bevatten een zware toepassing van genre, stemming, soft-focus verlichting en impressionistische beelden. Er werden foto’s gemaakt van zoetsappige onderwerpen, met technieken als vaseline op de lens om een dromerige onscherpte te creëren.
De foto’s gebruikten de toen in de schilderkunst gangbare composities en onderwerpen: de groepsfoto, het portret, het stilleven en later ook landschappen. Het accent van de picturale fotografie ligt op de esthetiek van het beeld. Vormgevingselementen zoals compositie, structuur en kleur, licht en lichtinval komen centraal te staan.
Portretten waren een geliefkoosd onderwerp. Hier werd ingespeeld op de trend rond de interesse in de mystiek en romantiek van de autochtone Amerikaanse stammen. Gertrude Käsebier, “Chief”, 1901. Beeld: Gertrude Käsebier
Aanhangers van de kunststroming richtten verschillende clubs op om te ijveren voor de erkenning van fotografie als kunstvorm. De bekendste daarvan waren de Camera Club of New York, de Linked Ring en de Photo-Secession. Deze laatste werd opgericht door Edward Steichen, Alfred Stieglitz en Frank Eugene.
Ondanks dat de toenmalige camera’s technisch al haarscherpe beelden konden produceren, kozen de picturalisten veelal voor soft-focus. Frank Eugene, “Adam and Eve”, 1898. Beeld: Frank Eugene
Photo-Secession gaf onder redactie van Stieglitz tussen 1903 en 1917 het baanbrekende kunstzinnige fototijdschrift Camera Work uit en organiseerde veel tentoonstellingen. Omdat fotografen zo dicht kwamen aanleunen bij de schilderkunst werd fotografie meer en meer als een kunstvorm gezien en niet louter als een technisch-wetenschappelijke vernieuwing. Het picturalisme werd dan ook de eerste stroming waarbij fotografie als een op zichzelf staande kunstvorm werd aanvaard.
Duister, mysterieus en midden in New York. Edward Steichen’s “Flatiron” (1904) over het beroemde gebouw kan zo op een filmposter. Beeld: Edward Steichen
Modernisme in de fotografie
Rond 1900 was het picturalisme wereldwijd de meest dominante stroming in de kunstzinnige fotografie. Rond 1910 echter gingen steeds meer fotografen zich ook op nieuwe stromingen richten, vooral ook onder invloed van het modernisme. De modernisten kwamen in verzet tegen de traditionele opvattingen en vormen van kunst, architectuur, literatuur, geloof, sociale organisatie en het dagelijks leven. De moderne roman, het moderne toneel, de architectuur en de poëzie moesten vernieuwd worden zodat zij de moderne geïndustrialiseerde maatschappij beter weerspiegelden. Abstracte kunstenaars, geïnspireerd door het voorbeeld van de impressionisten, begonnen met de veronderstelling dat kleur en vorm de essentie van kunst uitmaakten, en niet de nabootsing van de natuur.
Kenmerken van het modernisme zijn: experimenteel, radicaal, readymade, primitief, internationaal, expressieve waarheid, kunst en kunstnijverheid en het onderbewustzijn.
Paul Strand’s “Abstraction, Twin Lakes” uit 1916. Duidelijke invloeden van het modernisme en de aanloop naar abstracte fotografie. Voor die tijd een radicale foto. Beeld: Paul Strand
In Europa ontstond de Nieuwe Fotografie als tegenbeweging op het picturalisme. Een groep Amerikaanse fotografen verwierp het picturalisme geheel en vormde Group f/64, die vooral met zeer scherpe focus werkte en het bewerken van foto’s afwees. De nieuwe generatie modernistische fotokunstenaars (Edward Weston, Paul Strand, Man Ray) had echter in alle opzichten sterke wortels in het picturalisme.
Straight Photography (1910 – 1950)
Het is wat het zegt te zijn. Rechttoe-rechtaan-fotografie. Niet gemanipuleerd op enige wijze. Een directe, heldere, zuivere vorm van fotografie, zonder kunstzinnige trucs.
Straight photographers fotograferen doorgaans de werkelijkheid en maken geen in scène gezette foto’s. Niettemin worden sommige beroemde in scène gezette foto’s uit deze stroming toch nog tot deze stroming gerekend omdat ze naast het opzet ook een waarheid tonen. Onder andere de beroemde foto ‘Le Baiser de l’Hôtel de Ville’ van Robert Doisneau uit 1950 en ‘An American Girl in Italy’ van Ruth Orkin (1951) zijn zo’n foto’s.
Fotografen maken haarscherpe, gedetailleerde foto’s met een zekere objectiviteit en met veel aandacht voor esthetiek die alsnog de foto tot kunst verheft.
Mooi voorbeeld van de Straight Photography van de Oostenrijkse fotograaf Rudolf Koppitz. Naakten in ‘bewegingsstudies’ of in landschappen. “Bewegungsstudie”, 1925. Beeld: Rudolf Koppitz
Paul Strand wordt gezien als de grote vertegenwoordiger van Straight Photography. Zijn fotografie kenmerkt zich door een strenge symmetrie van lijnen, een scherp zwart-wit contrast, maar ook spontane portretten en extreme close-ups.
Voormalige picturalistisch fotograaf Stieglitz ging zelfs mee in de nieuwe stroming. Eenvoudige onderwerpen namen de plaats in van de beladen taferelen uit het pictorialisme en alle ballast werd overboord gegooid.
Alfred Stieglitz evolueert van picturalist naar straight photographer. Zelfs in zijn werk uit 1907 (“The Steerage”) is die visie al merkbaar. Beeld: Alfred Stieglitz
Samen met o.a. Imogen Cunningham richtte de bekende fotograaf Ansel Adams de groep f/64 op in San Francisco. Cunningham fotografeerde zowel botanische close-ups als naakten. Adams specialiseerde zich in de grootse landschappen van Yosemite, en is de bedenker van het ‘zone systeem’, een methode om de gewenste wit-, grijs- en zwarttinten te krijgen in de finale print van je foto. Tonaliteiten werden dus belangrijk om de scherpte van je foto zeer precies te krijgen.
Ansel Adams was een meester in de zwart-wit fotografie. Zijn landschappen zijn nog altijd een voorbeeld voor elke landschapsfotograaf. Ongelofelijk hoe superscherp en contrastrijk deze foto “monolith, the face of half-dome” uit 1927 is. Beeld: Ansel Adams
Sommige fotografen gingen in plaats van close-ups te nemen, net meer afstand nemen van hun onderwerp. Henri Cartier-Bresson begon in 1930 een stijl te ontwikkelen die hij later benoemde als het zoeken naar ‘le moment décisif’. Het beslissende moment wordt vaak uitgelegd als het juiste moment om op de sluiterknop te duwen, maar het gaat eigenlijk over het moment waar de werkelijkheid zich ‘verspreekt’ of er een masker is gevallen, zodat je een andere waarheid krijgt.
Intussen liep de stroming van sociaal realisme en realistische fotografie gewoon door. Documentaire fotografie zoals hier door Lewis Hine (“child laborer”, 1907) of door de fotografen die families in de Amerikaanse Dust Bowl (waaronder de beroemde foto “Migrant Mother” van Dorothea Lange, 1936) portretteerden bleef zeer invloedrijk. Beeld: Lewis Hine
Abstract, zakelijk, constructivistisch, surreëel
De Nieuwe Zakelijkheid (1915-1930) is de Europese reactie op het picturalisme. In tegenstelling tot het pictorialisme willen fotografen binnen deze stroming de alledaagse werkelijkheid zo scherp mogelijk vastleggen.
Vooral in Duitsland (Neue Sachlichkeit, Das Neue Sehen) vond de stroming veel aanhangers. Kenmerkend zijn de emotieloze weergave van alledaagse onderwerpen en de voorkeur voor eenvoud. De stroming ging over alle kunsten heen, van fotografie over architectuur en schilderkunst. De stroming bewoog zich vooral rond het Bauhaus, dat architecturaal van grote invloed was.
De abstracte fotografen (o.a. Jeff Alu, Alan Ostreicher en Richard Caldicott) gaan nog een stap verder en maken onherkenbare abstracties met focus op lijnen, vormen, herhaling en ritmiek. Zo worden bijvoorbeeld Tupperware potjes een onderwerp.
In Rusland bevinden ze zich op dat moment in de constructivistische stroming. Volgens mathematisch-technische principes worden door de constructivisten vooral geometrische vormen in compositie gebracht en werd afgezien van enige subjectieve expressie. Hun ontzag voor machines en andere technische constructies was groot. Ze streefden daarmee naar duidelijkheid en exactheid, in tegenstelling tot het subjectieve individualisme. Een van de belangrijkste kunstenaar-fotografen in deze stroming is László Moholy-Nagy.
Menselijke constructies, op een bevreemdende manier afgebeeld. Moholy-Nagy was niet alleen constructivistisch fotograaf, maar ook designer, grafisch kunstenaar, schilder, theatermaker en zoveel meer. “Pont Transbordeur, Marseille”, 1929. Beeld: László Moholy-Nagy
Bij het surrealisme worden de grenzen tussen de werkelijkheid en fantasie overschreden. Dat zorgt voor bevreemdende, absurde, dromerige beelden. Surrealisten waren gedesillusioneerd in het rationalisme, door de gruwelen van Wereldoorlog I, en stelden vrije associaties en de droom centraal. Beroemd werd o.a. Man Ray die naast fotograaf ook filmmaker en schilder was.
Eén van de bekendste foto’s van Man Ray, “Le Violon d’Ingres” (1924), waarin hij zijn model, muze en geliefde omvormt tot muziekinstrument. Surrealistische fotografie. Beeld: Man Ray
De hedendaagse stromingen (1950 – nu)
Met Slow Journalism werd er terug meer aandacht gegeven aan inhoud, aan onderwerp, aan verhaal dan aan vorm. (Foto)journalistiek wil goede journalistiek zijn door de tijd te nemen. Eén onderwerp kiezen, uitdiepen, de werkelijkheid begrijpen. Veelal vanuit het perspectief van de betrokkenen. Gewone mensen, met echte verhalen. Niet het officiële standpunt, maar de andere kant belichten. Enkele maanden tot jaren aan één onderwerp werken gebeurt regelmatig.
Met zijn stroming die hij Subjectieve Fotografie noemt, willen de Duitser Otto Steinert en zijn groep medefotografen de grenzen van de realiteit aftasten. Het is een zeer persoonlijke en experimentele vorm van fotografie. Een combinatie van bevreemdende foto’s en bijhorende experimentele poëzie is niet ongewoon.
In de popart fotografie was de vervreemding van de mens in de moderne consumptiemaatschappij het centrale thema. Er werd ook afgerekend met het elitaire imago van kunst. Met de tentoonstelling in 1975 “New Topographics” werd de klassieke landschapskunst in vraag gesteld. Geen romantische landschappen van de natuur meer, maar foto’s van plekken waar de invloed van de mens zeer duidelijk aanwezig is: woonwijken, tankstations, snelwegen, industrie.
Postmodern is een eigen stijl die elke fotograaf zelf ontwikkelt; hij geeft weer hoe hij de realiteit ervaart. Stijlen lopen door elkaar, al zijn ze vaak expressief, kleurrijk en vervreemdend. Identiteit, authenticiteit en relativisme zijn sleutelwoorden.
En nu? Fotografische stromingen van vandaag
Vandaag vinden we eigenlijk alle stromingen wat door elkaar. Elke fotograaf vindt inspiratie in 200 jaar fotografische voorbeelden. Postmodern dus, zeker. Er zijn zovele onderwerpen, stijlen, thema’s en voorkeuren dat het voor fotografen soms moeilijk is een eigen stem te vinden. Maar eigenlijk is alles wat je doet je eigen stem, dus doe gewoon verder.
Schrijf je in op onze nieuwsbrief om het laatste nieuws uit de fotografiewereld te ontvangen én het gratis ebook ‘Start met Fotograferen’.
Jo Haegeman is een Belgische avontuur- en reisfotograaf. Na een veelzijdige ondernemerscarrière, met onder meer het eventbureau White Rabbit en de frozen-yoghurtketen Moochie, koos hij in 2021 voltijds voor de fotografie. Bergbeklimmen, canyoning, hiken en expeditieleven vormen de basis van zijn werk, dat hij combineert met zelfgeschreven reportages. Zijn fotografie en verhalen verschenen onder meer in Shoot Magazine, 100% Snow, AS Adventure Magazine en Bike Explorer.