Praktijk

9 tips voor de scherpste landschapsfoto’s

Met deze handige tips van fotograaf Bart Heirweg maak je meteen betere én scherpere landschapsfoto’s.

Bij landschapsfotografie is het vaak een uitdaging om de foto scherp te krijgen vanaf de voorgrond tot de horizon, maar een scherpe foto is het begin van elk sterk beeld. De sfeer en de compositie mogen nog zo perfect zijn; als de scherpte niet goed zit, verdwijnt de foto onherroepelijk in de prullenmand.

  1. Gebruik een statief
  2. Gebruik een afstandsbediening of app
  3. Kies de juiste scherptediepte
  4. Gebruik een lage ISO-waarde
  5. Gebruik kwalitatieve lenzen
  6. Verwijderd onnodige filters
  7. Scherpstellen met de hyperfocale afstand
  8. Gebruik focus stacking
  9. Verscherp in de nabewerking

Meer tips nodig? Bart Heirweg geeft op 21 februari 2025 een gratis webinar natuurfotografie.

1. Gebruik een statief

Bij landschapsfotografie is het cruciaal om tijdens de opname elke vorm van trilling of beweging te vermijden. Een degelijk statief is dus onontbeerlijk. Niet alleen het type statief is belangrijk, je moet het ook goed leren gebruiken. Zorg dat het statief stevig en stabiel geplaatst is. Bij winderig weer doe je er vaak goed aan om het statief wat lager bij de grond te plaatsen door de poten wijd open te klappen. Zo vangt het toestel minder wind en wordt het draagvlak groter. Ook de statiefkop moet stevig vastgedraaid zijn en mag niet kunnen wegzakken.

Maak je gebruik van een statief, schakel dan de eventuele beeldstabilisatie in je lens uit. Beeldstabilisatie werkt met ‘zwevende’ lenselementen die proberen om de beweging van de camera te compenseren. Wanneer je echter fotografeert met lange sluitertijden kan de beweging van deze lenselementen onscherpte veroorzaken.

Ik zie tijdens workshops mensen ook vaak knoeien met de draagriem van hun camera. Die zit soms gekneld tussen het statief, of hij hangt te wapperen in de wind en veroorzaakt daardoor trillingen. De riem haal je er best af wanneer je met een statief werkt. Er bestaan draagriemen die je gemakkelijk kan verwijderen en terug bevestigen.

2. Gebruik een afstandsbediening of app

Naast een degelijk en goed gepositioneerd statief is ook het gebruik van een afstandsbediening aangewezen. Zo vermijd je trillingen die kunnen ontstaan bij het indrukken van de ontspanknop. Er bestaan fysieke afstandsbedieningen (afhankelijk van merk en model), en op heel wat camera’s kan je de ontspanknop vanop afstand bedienen via een app. Heb je geen afstandsbediening? Gebruik dan de zelfontspanner (timer) van je fototoestel, zodat er een paar seconden verstrijken tussen het afdrukken en het moment waarop de foto gemaakt wordt.

Om te vermijden dat bij het op- en neer bewegen van de spiegel in een spiegelreflexcamera trillingen ontstaan, maak je best gebruik van de functie ‘spiegel opklappen’ (mirror-lockup). Je moet dan tweemaal afdrukken om een foto te maken. De eerste keer klapt de spiegel op. Je wacht enkele seconden tot de trillingen daarvan zijn weggeëbd en drukt dan een tweede keer af om de sluiter te openen en de foto te maken. Tegenwoordig laten een aantal toestellen ook toe een ‘belichtingsvertragingsstand’ te gebruiken. Deze functie combineert een timer met mirror-lockup en maakt het gebruik van een afstandsbediening dus in vele gevallen overbodig.

Wie in live view fotografeert of in het bezit is van een systeemcamera hoeft de spiegel niet meer op te klappen. Enkele seconden wachten na het loslaten van de camera tot alle trillingen verdwenen zijn is voldoende.

3. Kies de juiste scherptediepte

Een landschapsfoto moet scherp zijn vanaf de voorgrond tot de horizon. Je hebt dus veel scherptediepte (en dus een klein diafragma) nodig om alles scherp af te beelden. Veel fotografen gaan echter verkeerdelijk instellen op het kleinst mogelijke diafragma en dus het hoogst mogelijke diafragmagetal, bijvoorbeeld f/22. Bij een heel klein diafragma neemt echter ook de scherpte van de lens af. Bij te hoge diafragma’s krijg je last van diffractie: lichtstralen die door een klein gaatje gaan, worden afgebogen. Daardoor gaan de scherpte en de kwaliteit van het beeld achteruit.

De meeste lenzen presteren het best tussen f/8 en f/16. Kies dus bij landschapsfotografie voor een diafragma rond f/11 – f/13 om de scherpste foto’s te garanderen. Om het beste bereik van jouw lens te achterhalen kan je zelf enkele tests doen. Maak in gecontroleerde omstandigheden foto’s van hetzelfde onderwerp en wijzig telkens het diafragma. Je kan hiervoor gebruik maken van een kalibratiediagram om de scherpteverschillen goed in te schatten. Vergelijk nadien op de computer de beelden door in te zoomen naar 100% en te bepalen bij welk diafragma jouw lens de beste resultaten geeft.

4. Gebruik een lage ISO-waarde

Ik hoef je wellicht niet meer te vertellen dat foto’s die je maakt bij hogere gevoeligheden (ISO-waarden) automatisch meer ruis bevatten. Die ruis ontstaat doordat de camera het sensorsignaal gaat versterken, waardoor afwijkingen ook uitvergroot worden. De invloed op de scherpte is navenant: een beeld met veel ruis oogt minder scherp en gedetailleerd. Werk daarom zoveel mogelijk met de laagste ISO-waarde die je camera toelaat zonder onderbelichting, meestal is dat ISO 100.

5. Gebruik kwalitatieve lenzen

Logisch: de ene lens levert scherpere beelden dan de andere en de prijs van het materiaal is daar doorgaans niet vreemd aan. Dat een kitlens van 100 euro qua beeldscherpte zou kunnen wedijveren met een lens van 1.000 euro of meer, is helaas een illusie. Goed glas is dus belangrijk als je de ultieme scherpte wil vastleggen. Tegenwoordig tellen sommige camera’s 40 megapixels of meer. Bij dergelijke resolutie worden ook lensfouten duidelijker zichtbaar. Om het maximale detail uit de sensor te halen, is een lens van degelijke kwaliteit bij zo’n toestellen broodnodig.

Als je een lens kiest, vermijd dan lenzen met een groot zoombereik zoals een 18-300mm. Een lens die goed presteert zowel in groothoek als in het tele-bereik is zeldzaam. Je kan dat bereik dus beter opsplitsen in verschillende lenzen: een groothoeklens (bv. 16-35mm), een standaardlens (bv. 24-70mm) en een telelens (bv. 70-200mm).

6. Verwijder onnodige filters

Veel fotografen maken gebruik van een UV-filter om de lens te beschermen. Jammer genoeg zijn deze filters niet altijd even kwalitatief en doen ze vaak meer kwaad dan goed. Elke filter die je voor de lens schroeft, zal de kwaliteit van je beeld beïnvloeden. Als je duizenden euro’s investeert in een goeie lens, maar je schroeft er een UV-filtertje voor van 50 euro, dan is de keten maar zo sterk als de zwakste schakel. De kwaliteit van je lens gaat grotendeels verloren door het gebruik van een minderwaardige filter. Gebruik daarom enkel kwalitatieve (en dus duurdere) filters die een meerwaarde bieden zoals een polarisatie-, ND- of grijsverloopfilter. Wil je de lens toch wat beschermen? Monteer dan je zonnekap.

7. Stel scherp op de hyperfocale afstand

Je hebt niet alleen een goede lens nodig, je moet ze ook goed focussen. Autofocus werkt bij landschapsfotografie doorgaans minder goed om allerlei redenen. Om te beginnen fotografeer je landschappen vaak ’s morgensvroeg en ’s avonds laat bij weinig licht. Bovendien gebruik je vaak filters om bepaalde effecten te bereiken of het contrast onder controle te houden. Het beeld wordt bijgevolg donkerder en de autofocus krijgt het lastig. Daarnaast bestaat de kans dat de autofocus scherpstelt op een punt vooraan of achteraan in het beeld, waardoor de scherpte niet goed verdeeld wordt en voor- of achtergrond niet helemaal scherp zijn.

Om die problemen te vermijden, stel je dus best manueel scherp. Dat kan op verschillende manieren. Je kan gebruik maken van de hyperfocale afstand. Dit is de scherpstelafstand waarbij je de grootst mogelijke scherptediepte bereikt bij een gegeven brandpuntsafstand en diafragma. Alles vanaf de helft van deze scherpstelafstand tot oneindig wordt dan scherp afgebeeld. Hoe verloopt dit in de praktijk? Je maakt eerst de compositie en zorgt voor een correcte belichting. Vervolgens lees je de brandpuntsafstand af (bijvoorbeeld 24 mm) en noteer je het gebruikte diafragma (bijvoorbeeld f/11). Daarna kan je via tools zoals de PhotoPills DoF calculator de correcte scherpstelafstand aflezen voor die brandpuntsafstand en dat diafragma voor het sensorformaat van jouw camera (full-frame, APS-C of Micro Four Thirds). Schat vervolgens in op welke afstand dat punt zich bevindt en stel daarop scherp.

Naast het behoorlijk complexe hyperfocaal scherpstellen, bestaan er gelukkig ook eenvoudigere methodes. Zo kan je gebruik maken van de regel van derden en scherpstellen op een punt dat zich op 1/3 diep in het beeld bevindt. Maak gebruik van het raster in je zoeker of in live view om dat punt te bepalen.

Ten slotte bestaat er nog een derde manier en deze gebruik ik zelf meestal. De ervaring leert immers dat je vaak tot goeie resultaten komt wanneer je gebruik maakt van de aanduidingen op de lens. Bij weidse landschappen waarbij de voorgrond niet al te dicht bij de lens zit (dus normale statiefhoogte), kan je de scherpstelling instellen op oneindig. Zet hiervoor het streepje, dat zich onderaan het venstertje met de scherpstelafstanden bevindt, in het midden van het oneindigheidsteken (de liggende 8). Bij sommige lenzen wordt dat teken voorafgegaan door een ‘liggende L’. Zorg er in die gevallen voor dat de ‘L’ gelijk staat met het streepje.

8. Gebruik focus stacking

De voorgaande tip is vooral van toepassing als je vanaf normale statiefhoogte fotografeert. Maar hoe stel je nu scherp als je een laag standpunt ingenomen hebt? Maak in die situaties gebruik van focus stacking, waarbij je de scherpte van meerdere beelden combineert. Zo kom je tot een foto met ultieme scherpte en detail, zowel voor- als achteraan in het beeld.

Gebruik live view om in te zoomen op de voorgrond en bepaal het dichte scherpstelpunt. Hou de witbalans en instellingen zoals sluitertijd en diafragma constant. Maak verschillende beelden waarbij je telkens een beetje aan de scherpstelring draait tot je bij oneindig komt. Achteraf combineer je de scherpste zones uit deze beelden door gebruik te maken van de focus stacking functie in Photoshop of Helicon Focus.

Bovendien helpt focus stacking ook om de randscherpte te verbeteren. Doorgaans is een lens minder scherp langs de randen. Wanneer je echter meerdere beelden met verschillend scherpstelpunt combineert, zal je ook daar merkelijke vooruitgang zien.

Ten slotte is focus stacking ook handig bij nachtopnames. De melkweg, sterrensporen of het noorderlicht fotografeer je meestal met een groot diafragma (laag getal, bijvoorbeeld f/2.8) om zoveel mogelijk licht te vangen. Bij dergelijke instellingen is de scherptediepte echter beperkt, zodat het landschap niet scherp oogt. Ook in deze gevallen kan je gebruik maken van verschillende opnames en de scherpte van deze beelden achteraf combineren. Als laatste ‘blend’ je dan manueel een opname van het noorderlicht of de sterrenhemel in de foto door gebruik te maken van lagen en maskers.

9. Verscherp in nabewerking

Wie in raw-formaat fotografeert, moet achteraf het beeld nog wat optimaliseren. De foto is immers laag in contrast en de kleur moet wat opgesmukt worden. Maar ook verscherpen is noodzakelijk. Op een raw-beeld wordt immers door de camera geen verscherping toegepast. Je moet dus zelf de scherpte finetunen. Dat kan bijvoorbeeld door een ontwikkelvoorinstelling in Lightroom die je al bij het importeren laat toepassen op al je landschapsfoto’s. De instelling die ik gebruik, zet het cameraprofiel op neutraal, past lenscorrecties toe en verscherpt de foto met de volgende waarden:

  • Hoeveel: 50-60
  • Straal: 0.8
  • Detail: 30
  • Masker: 30

Deze waarden resulteren in een mooi verscherpte landschapsfoto waarbij alle details goed zichtbaar zijn en er geen ongewenste neveneffecten ontstaan.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief en ontvang elke woensdag en vrijdag het beste uit de fotografiewereld in je mailbox.

Onderwerp: landschapsfotografie

Meer relevante berichten

 Word abonnee van Shoot!

Krijg Shoot Magazine 6 keer per jaar (inclusief 2 extra dikke dubbelnummers) vol inspiratie, tips en fotoplezier rechtstreeks in je brievenbus.