Ontdek hoe je met flitslicht prachtige portretten maakt en hoe je ze bewerkt in Lightroom en Photoshop.
Schrijf je in op onze nieuwsbrief om het laatste nieuws uit de fotografiewereld te ontvangen én het gratis ebook ‘Start met Fotograferen’.

Ontdek hoe je met flitslicht prachtige portretten maakt en hoe je ze bewerkt in Lightroom en Photoshop.
In een fotostudio heb je volledige controle over het licht. Wanneer je echter op locatie werkt, of dat nu in je eigen stad is of aan de andere kant van de wereld, ben je overgeleverd aan de grillen van het aanwezige licht. Een flitser meenemen kan dan echt het verschil maken, omdat je het bestaande licht kan ’temmen’ en – op zijn minst gedeeltelijk – kan vervangen door flitslicht, waarvan je zelf de intensiteit, de kwaliteit en de richting kan kiezen. Althans tot op zekere hoogte. Met een paar eenvoudige nabewerkingstechnieken kan je je foto’s zelfs er uit laten zien alsof je veel meer of veel krachtiger flitsers gebruikt hebt dan eigenlijk het geval was. Aan de slag!
Heb je ooit al eens geprobeerd om op een zonnige zomerdag een flatterend portret van iemand te maken in een open ruimte, pal op de middag? Of het nu het marktplein bij jou om de hoek is, of de Plaza de la Revolución in La Havana, middaglicht is niet het flatterendste portretlicht dat er is. Daarom neem ik op locatie liever een flitser mee dan nóg een extra lens. Met een flitser kan je immers het bestaande – minder flatterende – licht onderbelichten. Je onderwerp wordt natuurlijk ook te donker, maar dat kan je dan weer ophelderen met je flitser. Op die manier kan je twee vliegen in één klap slaan: niet alleen maak je de achtergrond (waar je flitslicht niet rijkt) donkerder dan je onderwerp, zodat dat laatste automatisch opvalt, maar je kan ook de richting van het licht op je onderwerp kiezen (wanneer je de flitser ‘off-camera’ gebruikt en de kwaliteit ervan: indien je een parapluutje of een softbox tussen je onderwerp en de flitser zet, kan je het licht zachter maken.
Hoe krachtig moet die flitser dan zijn? Dat hangt af van de hoeveelheid omgevingslicht die er op locatie is: hoe meer omgevingslicht er is, hoe krachtiger je flitser zal moeten zijn om een verschil te kunnen maken. Vergelijk het met zo’n oude weegschaal met links en rechts een schaal die je misschien nog kent uit je jeugd, of uit de standbeelden van Vrouwe Justitia: in de ene schaal zit het omgevingslicht, in de andere het flitslicht. Hoe meer omgevingslicht er is, hoe krachtiger het flitslicht zal moeten zijn om beide terug in balans te krijgen. Wil je de balans laten overhellen in de richting van het flitslicht (en dus op een zonnige dag de achtergrond er bijna als avond laten uitzien), dan moet je flitser nóg krachtiger zijn. Wil je bovendien een softbox of andere diffusor gebruiken? Dan heb je nog meer power nodig, want zo’n softbox strooit het licht veel breder uit, waardoor het minder geconcentreerd is en dus wat ‘verwatert’. Je zal op de middag op de evenaar dus een krachtiger flitser nodig hebben dan op een Belgische winterdag om 16 u in de namiddag!
Eén van mijn favoriete flitsers om op locatie te gebruiken is de Godox AD300 Pro (ondertussen opgevolgd door de AD300 Pro II, nvdr.). Deze cilindrische flitser is ongeveer 20 cm hoog met een diameter van ongeveer 10 cm. Hij weegt 1.4 kilogram inclusief batterij en is dus qua gewicht en omvang te vergelijken met een 70-200 mm f/2.8 zoomlens. De flitser heeft een eigen Godox-vatting, die het mogelijk maakt om compacte softboxen te gebruiken. Zelf gebruik ik hem vaak met de handige SMDV Speedbox Flip 28, een 70 cm softbox die heel snel op te zetten en terug in te klappen is, handig voor locatiewerk. De AD300 Pro, die met zijn 300 wattseconde ongeveer de power van drie à vier reportageflitsers herbergt, kost normaal ongeveer 600 euro.


Fotografie is in vele opzichten de kunst van het compromis: het compromis tussen onderwerp en achtergrond, tussen het licht en de schaduw, maar ook praktisch; tussen het materiaal dat je in ideale omstandigheden zou willen ter beschikking hebben op locatie, en het materiaal dat je bereid bent te dragen – of dat de luchtvaartmaatschappij bereid is om voor jou zonder meerkost te transporteren! Daar waar ik in de studio er mijn hand niet voor omdraai om een extra flitser in te zetten – ze staan letterlijk binnen handbereik – is dat op locatie wel anders.
Meestal heb ik maar één flitser mee, en als ik er al meerdere mee heb, heb ik vaak niet de tijd om ze allemaal op te stellen. Maar zelfs met slechts één flitser kan je toch foto’s maken die er veel ‘rijker’ uitzien, alsof je veel meer (en duurder) materiaal gebruikte dan je in werkelijkheid deed. Ik noem deze techniek de ’twee lichten voor de prijs van één’ techniek en het is mijn go-to techniek om snel indrukwekkende portretten te maken. De ingrediënten zijn eenvoudig: een flitser, een parapluutje of softbox en een portretlens waarmee je de achtergrond op zijn minst een beetje onscherp kan krijgen. Bovendien werkt deze techniek ideaal op een tijdstip waarop het anders heel moeilijk is om flatterende portretten te maken: wanneer de zon hoog aan de hemel staat.
Ten eerste is het belangrij dat je je onderwerp in tegenlicht plaatst. Dat levert meteen een paar voordelen op: ten eerste zal je onderwerp niet langer verblind worden door de felle zon. Ten tweede zal je eigen schaduw achter je vallen, in plaats van potentieel in de foto op te duiken wat zou gebeuren wanneer je met het licht mee fotografeert, en ten derde zal de tegenlicht-zon een gratis contourlicht op het hoofd, haar, nek, schouders en/of armen van je onderwerp creëren.
Vervolgens is het belangrijk dat je de omgevingsbelichting instelt: de belichting van de achtergrond, die enkel door het natuurlijke licht van de zon belicht wordt. Meestal kies ik er hier voor om één tot twee stops te onderbelichten. De achtergrond moet immers informeren, maar mag niet domineren. Idealiter zorg je ervoor dat het contourlicht van de zon afsteekt tegen een donkere achtergrond. Hoe meer je de achtergrond onderbelicht, hoe meer het contourlicht zal opvallen. Uiteraard word je onderwerp, dat al in zijn eigen schaduw stond, hierdoor nog meer onderbelicht.
Daarom zet je als laatste je flitser aan, en experimenteer je met de richting en de kracht van de flitser tot je een goed belicht onderwerp krijgt. Zet de flitser diagonaal ten opzichte van het zonlicht, zodat je onderwerp tussen beide komt te staan. Het resultaat is een zogenaamde ‘cross-lighting’ tweepuntsbelichting waar je in een fotostudio normaal twee flitsers voor nodig hebt. Hier krijg je het zonlicht cadeau, dus: ’twee lichten voor de prijs van één’. Meestal plaats ik mijn licht in een hoek van 45 graden ten opzichte van de camera als het onderwerp recht voor zich uit kijkt, of in een hoek van 90 graden wanneer het onderwerp in een hoek van 45 graden kijkt. Door de flitser net buiten het beeldkader te zetten, maximaliseer je het rendement van je flitser. Hoe dichter je hem zet, hoe minder hard hij moet werken. Bovendien zal je parapluutje of softbox beter tot zijn recht komen: het is immers de relatieve grootte van de lichtbron ten opzichte van het onderwerp die bepaalt of je hard of zacht licht krijgt: zo kan je met een kleinere softbox net buiten beeld toch een zacht maar contrastrijk licht creëren dat aangename portretten oplevert.


Soms zal je flitser zelfs wanneer hij net buiten beeld staat, niet krachtig genoeg zijn om je onderwerp afdoende te belichten. In dat geval heb je twee opties: de volgende keer een krachtiger exemplaar meenemen of, de meer praktische oplossing, de flitser gewoon in beeld laten komen: wanneer je de afstand tussen de flitser en je onderwerp halveert, verviervoudigt de hoeveelheid licht op je onderwerp. Dat is de zogenaamde ‘omgekeerde kwadraatsregel’: het licht varieert met een intensiteit die omgekeerd evenredig is aan het kwadraat van de afstand. Verdubbel je de afstand, dan valt er nog een vierde van het licht op je onderwerp, halveer je de afstand, dan valt er vier keer zoveel licht op. Dit zijn theoretische cijfers die in de praktijk niet altijd helemaal kloppen en ook afhangen van de gebruikte lichtomvormer, maar één ding is zeker: je licht een beetje dichter zetten kan een relatief groot verschil maken. Dus kan het de moeite zijn om je flitser in beeld te laten komen om hem er dan in de nabewerking terug uit te halen.


Wanneer je weet wat er mogelijk is in de nabewerking, kan je er tijdens de opname al mee rekening houden: bij deze foto die ik maakte in Ethiopië was mijn zware flitser zelfs op vol vermogen niet krachtig genoeg wanneer ik hem buiten beeld hield. Het feit dat ik het licht nog wou verzachten met een softbox van 110 cm hielp natuurlijk niet! Door de lichtbron opzettelijk in het beeldkader te brengen, kon ik de afstand tot het onderwerp gevoelig verkleinen. Doordat de softbox enkel de lucht bedekte, en ik wist dat die in Photoshop makkelijk te reconstrueren was met de optie ‘Vullen met behoud van inhoud’ had ik er het volste vertrouwen in om mijn lichtbron in beeld te brengen. Ondertussen is de beeldbewerkingstechnologie zelfs zo geëvolueerd, dat een dergelijke retouche nu ook in Lightroom kan, zelfs zonder AI!


De techniek uit de vorige paragraaf werkt prima wanneer je licht een eenvoudig te retoucheren deel van de foto bedekt, zoals een lucht, of een onscherpe boom of bergketen. Maar… wat als je flitser iets bedekt met veel detail dat het petje van ‘Vullen met behoud van inhoud’ of Lightroom’s eenvoudige Verwijderen gereedschap te boven gaat, zoals in de foto van danseres Lana aan de Gentse Korenlei, waar de gigantische SMDV Mega 180 Speedbox zowat de halve Sint-Michielsbrug aan het beeld onttrekt. Ik wilde in dit omgevingsportret zacht licht combineren met een relatief brede kijkhoek zodat niet alleen het onderwerp maar ook de omgeving zichtbaar was.
Wanneer ik het licht buiten beeld had gezet, was de flitser niet alleen niet krachtig genoeg geweest, maar had zelfs deze grote softbox omwille van de afstand niet zo’n mooi, zacht licht opgeleverd. Dus plaatste ik hem doelbewust in beeld, maar omdat ik niet op de kracht van Photoshop wilde vertrouwen, plaatste ik de camera op statief en maakte ik twee foto’s: één met de softbox in beeld en één zonder. In Photoshop kon ik dan beide combineren met een laagmasker tot één foto met een (in realiteit zelfs niet bereikbaar) zacht licht op mijn onderwerp.


‘Wat met AI?’, hoor ik je denken. ‘Zou je de softbox ook gewoon niet kunnen wegwerken met generatieve AI in Photoshop of zelfs Lightroom?’. Het antwoord is genuanceerd: in lage resolutie, bijvoorbeeld voor social media-gebruik, kan AI ongetwijfeld een acceptabel ogende brug tevoorschijn toveren, maar wanneer ik dit 50 megapixel GFX50S bestand zou willen afdrukken op groot formaat, zou ik geweldig door de mand vallen. Bovendien zouden de gebouwen achter Lana nooit weergegeven worden zoals ze echt zijn, wat met bekende stadszichten zoals dit Gentse tafereel heel hard zou opvallen. Voorkomen, door twee foto’s te maken, is hier dus veel beter dan genezen met generatieve AI.

Ik houd ervan om contrast in mijn foto’s te stoppen. En daarmee bedoel ik niet alleen het contrast tussen licht en donker, maar ook inhoudelijk contrast, zoals dat tussen beweging en stilstand of oud en jong in de foto van de zittende sadhu en de jongen op de fiets die ik maakte in Varanasi toen de schoolpoorten opengingen en het rustige straatje waar ik aan het fotograferen was, veranderde in een draaikolk van fietsers. Voor dit beeld wilde ik ook werken met kleurcontrast. De jongen had eigenlijk een grijzig hemd aan, maar omdat ik wou inzetten op het kleurcontrast tussen de warme kledij van de oude man en de jongen, had ik dat hemd liever wat blauwer gehad. Ik kon hem uiteraard moeilijk vragen om snel even naar huis te gaan en een ander shirt aan te doen. Dus voegde ik een oranje filter toe aan de flitser in de softbox en maakte de foto. Het resultaat was dat alles dat in het bereik van de flitser lag, (veel te) sterk oranje gekleurd werd, maar door achteraf in Lightroom de witbalans aan te passen, kon ik dat teveel aan oranje terug normaliseren omdat Lightroom het complement van oranje, namelijk blauw, toevoegt over de hele foto. Delen die niet door het oranje flitslicht verlicht waren en dus neutraler waren van kleur, kregen daardoor een blauwe zweem, wat precies was wat ik wilde. Door een oranje filter op je flitser te plaatsen en in de nabewerking (of op je camera) de witbalans aan te passen, kan je dus een warm-koud contrast creëren tussen je door flitslicht verlichte onderwerp en de achtergrond die niet door dat flitslicht verlicht werd.


‘Het mooiste licht is tegenlicht’ is, behalve een heel mooi boek van Michiel Hendryckx, ook een fotografische waarheid als een koe, zeker wanneer dat tegenlicht hard en gericht is, en harde schaduwen werpt. Wanneer je met het bestaande licht werkt, moet je al de juiste klimaatomstandigheden hebben én op het juiste moment van de dag fotograferen. Maar… wat als je in een betonnen koeltoren bent waar het enige licht dat binnenkomt altijd van bovenaf komt? Dat is het moment om je flitser op een statief te plaatsen en je onderwerp, BMX-atleet Barre Neirynck, tussen je camera en die flitser te zetten. Een beetje rook en een contrastrijke zwart-wit conversie in Lightroom deden de rest. Ere wie ere toekomt, trouwens, want het idee om met tegenlicht te werken kwam in dit geval van… het model. De pluim om een rookmachine te gebruiken, in dit geval de draagbare, battery-powered Scotty II, mag dan weer op mijn hoed. Rook en tegenlicht zijn sowieso een magische combinatie.

In een fotostudio is een gobo (van go-between) iets wat je tussen een lichtbron en (meestal) een achtergrond plaatst, om een patroon te creëren. Er bestaan speciale – en dure – accessoires om verschillende gobo’s te projecteren op achtergronden. Soms wordt er zelfs een lens voor de flitser geplaatst, omdat je op die manier kan regelen hoe hard of zacht de schaduw van het patroon wordt. Niets weerhoudt je er natuurlijk van om dat dure materiaal ook mee te nemen op locatie, maar soms vind je dat de beste gobo’s al voor het grijpen liggen. Roosters, ramen met onderverdelingen, spleten, … ze kunnen allemaal dienst doen. Tijdens een prospectie-bezoek aan deze oude werkplaats voor schepen, viel me op hoe de felle namiddagzon door de industriële ramen een prachtig patroon tekende op de achtergrond. Toen ik de week erna terugkeerde met een model, was de zon echter niet van de partij. Gelukkig had ik mijn eigen zon meegebracht, in de vorm van een Godox AD1200 flitser op batterijen. Ik zette er een long-throw reflector op – een reflector die speciaal ontwikkeld is om het licht extra te bundelen en nog krachtiger te maken en liet die in plaats van het zonlicht door de ramen knallen. Een tweede flitser, een strip light met een rooster plaatste ik links, net buiten beeld, om de highlight te krijgen op de armen en de benen van danseres Riana. Dit gecontroleerde licht gaf me, samen met de beeldkwaliteit van de 100 megapixel Fujifilm GFX100S sensor, een raw-bestand dat ik nog naar hartenlust kon kneden in Lightroom. Ik paste een creatief profiel toe dat een warme tint toevoegde aan de hooglichten en de schaduwen koel omkleurde, en deed vervolgens nog een paar lokale aanpassingen via maskers.


Een andere Objectselectie (5) maakte Riana’s been wat lichter. De doorsnede van een Onderwerpselectie met een Radiaal verloop over Riana’s bovenlichaam maakte de bovenkant van haar lichaam wat lichter (6). Ik verhoogde het contrast op een Achtergrondselectie (7) om het patroon van de gobo te accentueren. Een laatste Onderwerpselectie, doorgesneden met een Radiaal verloop over het gezicht, diende om dat laatste nog wat extra licht te laten vangen. Beeld: Piet Van den Eynde
Lees ook: Flitsfotografie voor beginners en voor gevorderden
Fotografie en beeldbewerking gaan hand in hand en dat is bij flitsfotografie op locatie misschien nog meer het geval dan in andere fotografische disciplines, omdat je met de nabewerking de technische beperkingen die tijdens de shoot kunnen ontstaan, kan tegengaan of net creatieve mogelijkheden verder kan accentueren.
Schrijf je in op onze nieuwsbrief om het laatste nieuws uit de fotografiewereld te ontvangen én het gratis ebook ‘Start met Fotograferen’.
Krijg Shoot Magazine 6 keer per jaar (inclusief 2 extra dikke dubbelnummers) vol inspiratie, tips en fotoplezier rechtstreeks in je brievenbus.