Flitsen met een reportageflitser vergt inzicht in de manier waarop een camera het licht opvangt. In dit artikel vertel ik welke invloed dat heeft op de klassieke belichtingsdriehoek en hoe je het creatief voor je fotografie kan inzetten.

Toen ik eind jaren tachtig startte met fotografie, was fotograferen met een reportageflitser not done. Carl De Keyzer bracht daar verandering in. Voor zijn projecten India en Homo Sovieticus – USSR 1989 CCCP gebruikte hij niet alleen flitslicht, maar hij liet het ook nog keihard opvallen. Dat werd zowat zijn handelsmerk. En plots was flitsen in.

Zelf heb ik dat heel lang gemeden. Ik vond natuurlijk licht zoveel mooier. Eerlijk gezegd was ik er gewoon bang van. En je ziet ook zoveel foto’s met lelijk flitslicht. Toch, eens je weet hoe hem te gebruiken, gaat met de flitser een wereld van mogelijkheden open. En die wil je vervolgens niet meer missen.

In dit artikel bespreek ik enkele basisprincipes van flitsen in combinatie met natuurlijk licht. Gebruik je de flitser als hoofdlicht of als invullicht? Wat zijn de voordelen van het toevoegen van flitslicht bij aanwezig licht en waarom zou je het gebruiken als je al licht genoeg hebt?

Flits als hoofdlicht

Met een moderne camera kan je met hoge ISO-waarden nog beelden zonder al te veel storende ruis maken. Dan heb je niet echt een flits nodig als het wat donker is. Maar fotograferen is schrijven met licht en als je geen licht genoeg hebt, lukt dat natuurlijk niet meer. Is het echt te donker om zonder extra licht te fotograferen, dan wordt de flits je hoofdlicht.

Dat kan erg tegenvallen, omdat direct flitslicht met een kleine reportageflitser heel hard licht geeft. Bovendien komt het licht van een reportageflitser die op het toestel staat, recht van voren. Dat geeft dan weer weinig contrast en een zeer platte belichting. Deze twee zaken samen zorgen voor die typische lelijke flitsfoto’s die we voor ogen hebben als we zeggen dat flitsen niet mooi is. En dat klopt meestal als je in een donkere omgeving de flits boven op je toestel zonder omvormers en met volle kracht recht naar voren gebruikt.

Met de juiste technieken kan het echter veel beter. Als je de lichtbron groter maakt en de lichtrichting verandert, kan je met een eenvoudige reportageflitser fantastische beelden maken. De technieken hiervoor leg ik met plezier in een later artikel uit, want dat zou ons dat te veel afleiden van de basis.

Een flitser als invullicht

Ook als je voldoende of zelfs heel veel licht hebt, kan je een reportageflitser gebruiken. In dat geval is het omgevingslicht het hoofdlicht en dient de reportageflitser als invullicht. De flits gebruiken bij voldoende omgevingslicht kan je doen om verschillende redenen:

  • Het omgevingslicht is niet goed van kwaliteit, bijvoorbeeld door een combinatie van meerdere lichtbronnen met verschillende kleurtemperaturen die een rare zweem geven.
  • Rechtstreeks zonlicht zorgt voor harde schaduwen: die kan je wegflitsen.
  • Je hebt voldoende licht, maar wilt met een beetje extra licht de ogen en het gezicht ophelderen.
  • Je gebruikt de zon als tegenlicht en belicht je model met flitslicht.

Maar eerst wat theorie. Als je fotografeert zonder flitslicht, dan heb je de klassieke belichtingsdriehoek met sluitertijd, diafragma en ISO (zie afbeelding 1 op de volgende pagina). Deze drie breng je in balans voor een goed belichte foto. Gebruik je flitslicht, dan verandert dat. Je krijgt een extra parameter om rekening mee te houden, namelijk de kracht van de flits. Maar eigenlijk valt er ook één weg, namelijk de sluitertijd van je fototoestel. Zo krijg je opnieuw een belichtingsdriehoek, maar die ziet er iets anders uit (afbeelding 2). Hoe komt dat? De sluitertijd is niet bepalend voor de hoeveelheid flitslicht die op de sensor valt. De flitsduur is veel korter dan de sluitertijd. Of je dan werkt met een sluitertijd van 1/60 of een 1/30 seconde maakt geen enkel verschil voor de hoeveelheid flitslicht die er op de sensor terechtkomt.

De sluitertijd speelt wel een rol in die zin dat je rekening moet houden met de synchronisatietijd van je toestel. Dit is de kortste tijd waarbij de flitser de hele sensor belicht. Is de sluitertijd korter, dan volgen de twee gordijnen van de sluiter zo snel op elkaar dat de sensor niet volledig vrij komt en zo krijg je zwarte banden op je foto. Zolang je onder de synchronisatietijd blijft, maakt de duur dat de sluiter openblijft niet uit. De kracht van het flitslicht blijft exact dezelfde. Als je de flitser dus gebruikt als hoofdlicht zonder omgevingslicht, dan speelt de sluitertijd geen rol. Je moet alleen rekening houden met ISO, diafragma en flitskracht. Wil je echter ook nog omgevingslicht op de foto hebben, dan speelt de sluitertijd wel degelijk een rol. In dat geval krijg je een dubbele belichtingsdriehoek (afbeelding 3). Omdat net die complexiteit veel mensen afschrikt om met een flitser te werken, ga ik hier dieper op in.

Met een moderne camera kan je met hoge ISO-waarden nog beelden maken zonder al te veel storende ruis. f/2.8, 1/125, ISO 2500, 35 mm

Balans flits- en omgevingslicht

Je wilt flitsen bij natuurlijk licht en een goede balans vinden, zodat het flitslicht niet opvalt. Hoe ga je daarvoor te werk? Eerst meet je het licht dat je hebt zonder flits. Je meet als eerste voor de omgeving en houdt geen rekening met het model, want dat ga je nadien bijlichten met flitslicht. Stel je ISO zo laag mogelijk in en kies een diafragma in functie van de scherptediepte die je in de foto wilt hebben. Om snel te werken gebruik ik meestal de diafragmavoorkeur, en neem dan de verkregen gegevens over in de manuele modus voor een volledige controle over de shoot.

Nu is het tijd om het model goed te belichten; hiervoor gebruik je het flitslicht. De kracht van de flitser bepaalt hoeveel of hoe weinig licht op het model komt. De meeste flitsers hebben een TTL-meting. Dat is de automatische meting van de flitser. Dat werkt in vele gevallen zeer goed. Toch zie je dat je niet steeds dezelfde belichting krijgt als je veel foto’s na elkaar neemt van hetzelfde onderwerp. Daarom werk je het beste manueel. Vertrek van bijvoorbeeld 1/8 flitskracht en zie wat dat geeft. Meer of minder licht werkt in stops zoals bij ISO, diafragma en sluitertijd. Ga je van 1/8 naar 1/4, dan verdubbel je de hoeveel flitslicht. Je hebt dan dus 1 stop meer licht.

Omgekeerd verminder je met 1/16 het licht met de helft, dus heb je dan 1 stop minder licht tot je beschikking. Je kan dat meten met een flitsmeter, maar evengoed zelf op je toestel beoordelen. Is je model eenmaal correct belicht, dan heb je een foto waarbij het omgevingslicht en het flitslicht helemaal in balans zijn. Vooral bij tegenlicht is het model zonder flits te donker en bovendien brengt flitslicht de ogen tot leven (zie de voorbeeldfoto’s hieronder).

Het is belangrijk om goed te beseffen dat je eigenlijk werkt met twee belichtingen die los van elkaar staan. De belichtingsdriehoek ISO, diafragma en sluitertijd zorgen voor een correct belichte omgeving. Is deze belichting goed en zijn je instellingen naar wens, dan kom je daar niet meer aan. Het diafragma is bepalend voor de scherptediepte die je wilt hebben – eens je die gekozen hebt, stel je de andere parameters bij. Het diafragma verander je dus niet meer! Eens je correct voor de omgeving belicht hebt, ga je apart het model belichten. Omdat flitslicht niet ver draagt, valt het alleen op je model zodat je dat helemaal apart kan belichten. (Het spreekt vanzelf dat dit in een kleine ruimte met witte muren niet gaat werken.)

Spelen met de balans

Nu je weet dat je de omgeving en het model apart van elkaar kan belichten om de juiste balans te krijgen, kan je die balans naar eigen zin ook weer uit zijn evenwicht halen. Een veelgebruikte techniek is om de omgeving donkerder te maken dan het model is. Omdat we altijd eerst kijken naar de lichtste delen op een foto, komt een model extra goed uit op een beeld dat op die manier tot stand is gekomen.

Stel je toestel terug in voor de omgeving zoals ik hiervoor heb beschreven. Eens die goed belicht is, ga je haar enkele stops donkerder maken. Dat doe je niet door het diafragma aan te passen: de keuze voor de gewenste scherptediepte ligt immers vast. Nee, je doet dit door de sluitertijd korter te maken. Zoals ik eerder schreef: de sluitertijd heeft geen invloed op het flitslicht, maar wel op het omgevingslicht. Hoe langer de sluiter open is, hoe meer licht er op de sensor valt en hoe lichter de omgeving is. Hoe korter de sluitertijd, hoe minder licht er binnenkomt. Aangezien het flitslicht alleen het model belicht en niet de omgeving, heeft de aanpassing van de sluitertijd geen invloed op het model, alleen op de omgeving.

Het diafragma en de instelde ISO-waarde hebben invloed op zowel het omgevingslicht als op het flitslicht. Deze leg je eerst vast en daar blijf je dan gewoon van af. De sluitertijd heeft alleen invloed op de omgeving. Deze verander je om meer of minder omgevingslicht toe te laten. De flitskracht heeft alleen invloed op je onderwerp. Dat pas je aan om meer of minder licht op je model te laten vallen. Als je deze principes goed beet hebt, wordt flitsen ineens veel eenvoudiger.

Omgeving licht of donker

Flits je in een donkere omgeving, dan kan flitsfotografie hele lelijke foto’s opleveren als je de principes niet goed beheerst. Het zijn net die foto’s die veel mensen de onterechte perceptie geven dat flitslicht lelijk is.

Een oplossing kan zijn om de ISO voldoende hoog te zetten. ISO heeft invloed op zowel het omgevingslicht als op het flitslicht. Hoe hoger de ISO, hoe minder flitslicht je nodig hebt.

Veel beginnende fotograferen denken bij flitslicht automatisch aan de laagste ISO, maar dat hoeft niet. De moderne toestellen kunnen wel wat ruis aan bij hogere ISO-waarden zonder te storen. Zet die voldoende hoog; tot je genoeg omgevingslicht binnen krijgt dat je wilt hebben. Dit heeft als bijkomend voordeel dat je de batterij van je flitser kan sparen. Bovendien, hoe minder flitskracht er nodig is, hoe sneller de flits na het afgaan weer kan opladen – en hoe vlotter je kan werken.

Omgekeerd kan je met de flits ook net een omgeving die storend is, helemaal donker maken. Zoals we zagen bepaalt de sluitertijd de omgeving. Hoe korter die tijd, hoe minder omgevingslicht. Op die manier kan je de ruimte helemaal donker maken en zelfs in vol daglicht het effect van een studiofoto met donkere achtergrond krijgen. Hetzelfde effect kan je ook bereiken door in plaats van het kortere sluitertijd in te stellen, het diafragma dicht te knijpen.

High speed sync

Soms lukt dat echter niet omdat het omgevingslicht te sterk is. Wil je dan alle omgevingslicht uitsluiten, dan kan je zeker niet met een groot diafragma werken. Als je bijvoorbeeld wilt flitsen bij fel zonlicht, kun je hiermee niet de achtergrond donker maken. Je ISO staat al op het minimum en je synchronisatietijd laat niet toe om de tijd korter te maken. Dan is er gewoon te veel licht om met een grote opening te fotograferen en lukt het niet om een mooie onscherpe achtergrond te hebben. In dat geval kan je gebruikmaken van high speed sync (HSS) of van een grijsfilter.

In deze situatie kan ik geen groot diafragma instellen om een onscherpe achtergrond te krijgen, omdat ik rekening moet houden met de synchronisatietijd van de flitser. f/1.2, 1/250, ISO 200, 62 mm

HSS is een extra functionaliteit op sommige flitsers. Ben je op zoek naar een flitser die je wilt gebruiken voor portretfotografie overdag, dan raad ik aan er een aan te schaffen die deze functie heeft. Bij HSS wordt niet één superkorte flits afgevuurd, maar komen meerdere flitsen heel snel na elkaar. Gedurende het hele proces van openen en sluiten van de gordijnen krijgt de sensor licht binnen. Je hebt geen zwarte stroken meer van gordijnen die nog niet helemaal open of dicht zijn. Dat laat je toe om met kortere sluitertijden te werken, zodat je het diafragma toch op wijd open kan instellen.

Heb je geen flitser die HSS ondersteunt, dan is een grijsfilter of ND-filter een alternatief. Zo’n filter kan je vergelijken met een verduisteringsgordijn dat je voor je lens hangt en zo het licht afblokt.

Conclusie

Met flitslicht krijg je een extra parameter waarmee je rekening moet houden om een goed belicht beeld te krijgen. Dat schrikt veel beginnende fotografen af. En toch is het niet zo moeilijk als het lijkt eens je van elk onderdeel goed weet welke invloed het heeft op het geheel. Het is belangrijk om dat inzicht te hebben en niet als een gek aan alle schuivers te gaan trekken. Eens je het onder de knie hebt, ga je zien dat flitsen niet zo moeilijk is als het lijkt.

Wil je op weg gezet worden bij het nemen van die eerste hindernis, dan help ik je daar met plezier bij tijdens een workshop over de basis van flitsfotografie. Meer info daarover vind je op kattoo.be.

Advertentie



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in