Wil je de ambiance van een binnenruimte correct met je camera vastleggen, dan kan je putten uit meerdere technieken. In dit artikel lees je hoe ik dat in uiteenlopende situaties aanpak.

De meeste mensen die voor hun plezier foto’s maken zoeken het bij portretten of landschappen. Interieurs fotograferen zit daar niet direct bij en klinkt voor hen eerder saai. Maar zelf vind ik net heel zen en ontspannend. Er is geen model dat je moet bijsturen en je zenuwachtig kan maken. En je moet geen rekening houden met voortdurend veranderende weersomstandigheden. Je zit aangenaam binnen met een onderwerp dat je niet ongedurig en onwennig aankijkt. Het interieur is geduldig en je hebt alle tijd om te experimenteren tot je krijgt wat je precies wilt.

Bij mijn lessen en workshops interieur- en architectuurfotografie vraag ik de cursisten altijd om een foto mee te brengen van een ruimte in hun huis. De enige uitleg die ze krijgen is dat een ruim beeld moet zijn en dat ze de foto later opnieuw kunnen maken. Met deze foto’s gaan we dan aan de slag. We overlopen ze en brengen suggesties voor verbeteringen aan. Als iedereen aan de beurt geweest is, hebben we een mooie opsomming van tips om het anders te doen. Met die tips en met de nodige technische bagage die ze in de cursus of workshop meekrijgen, maken ze hun foto opnieuw. Op deze pagina zie je een voorbeeld van beelden van voor en na deze oefening. Als ik zo’n resultaat zie, ben ik een fiere lerares.

Te vermijden beginnersfouten

De meeste fouten die door cursisten lijken evident. Maar telkens als ik de foto’s zie die gemaakt zijn voor de les of tijdens de workshop, besef ik dat ze dat helemaal niet zijn als je er niet mee bezig bent. Daarom is het de moeite om de te vermijden beginnersfouten hier even te overlopen. De eerste is: ruim op. De foto’s uit de boekjes zijn geen weerslag van echte leefruimtes. Het zijn plaatjes van nette, opgeruimde plaatsen. Een goede foto heeft een duidelijk onderwerp. Als er veel rommel te zien is, weet je al gauw niet meer waar de focus op ligt.

Horizontale en verticale lijnen moeten recht zijn. Rechte lijnen zijn het opvallendste onder-scheid tussen een amateur en een professionele fotograaf. Let er zo goed mogelijk op bij opname. Heb je een fototoestel met een waterpas en een raster, zet die dan aan. Hoe breder je lens, hoe moeilijker het is om die lijnen perfect recht te krijgen. Is het niet helemaal juist, dan kan je in de nabewerking nog altijd bijsturen. Maar als je lijnen echt te scheef lopen, dan krijg je dat echt niet meer goed.

Doe de lampen aan, want licht schept sfeer. Je kan er de ruimte mee tot leven brengen. Is er een haard of zie je kaarsen staan, laat die dan branden. Voorkom ook overlap van meubelstukken. De schikking van de meubels kan er in het echt geweldig goed uitzien, maar hoeft op foto niet te werken. Meestal moet je zaken voor de foto verplaatsen. Als twee objecten elkaar overlappen, krijg je een geheel dat onduidelijk wordt. Kijk door de zoeker van je fototoestel en zorg dat belangrijke onderwerpen vrij staan en netjes van elkaar gescheiden zijn.

Doe de deuren toe en let erop dat kasten niet open staan, tenzij je daar een reden voor hebt. Vermijd ten slotte grote donkere vlakken vooraan in beeld. Te grote en dominante voorwerpen breng je naar achter. Als dat niet gaat, probeer je een andere compositie.

Het donkere vlak van de tafel vooraan in beeld is te dominant aanwezig. Probeer dat te vermijden. f/8, 1/4, ISO 200, 18 mm (fullframe-equivalent)

Nog meer tips

Bovenstaande tips moeten je in staat stellen om van rommelige, amateuristische interieurfoto’s naar betere foto’s te gaan. Met wat extra tips til je ze naar nog een hoger niveau. Op welke hoogte plaats je de camera? De meeste interieurfoto’s komen het best uit als die genomen zijn op borsthoogte. Dat geeft min of meer weer wat je ziet van een ruimte als je erin staan. Heb je een interessant plafond of een mooi tapijt dat je wilt tonen, dan kan je hier uiteraard van afwijken om net dat element onder de aandacht te brengen. Maar een volledige reeks op een te hoog of een te laag standpunt geeft het vreemde effect alsof je als een kabouter of als een reus door de ruimte loopt.

Overzichtsfoto’s maak ik met een groothoeklens en een diafragma van f/5.6 of f/8. Deze foto is gemaakt met f/5.6, 1/40, ISO 200, 18 mm (fullframe-equivalent).

Vanuit welke hoek fotografeer je? Kies voor je standpunt vooral wat je mooi vindt. Zelf houd ik ervan om recht op een ruimte te kijken. Ik zet mijn lens evenwijdig met de muur en zorg dat alle lijnen recht staan. Dat doe ik zoveel mogelijk vanuit het midden, omdat het het meest rustige beeld geeft. Wil je meer van de ruimte laten zien, dan ga je vanuit een hoek fotograferen.

Detailfoto’s zijn even belangrijk als de wijde shots. Ze zijn als het ware de kruiden bij een gerecht. Ook personen in beeld kunnen interessant zijn, omdat ze een idee geven van de grootte van een ruimte. Of je kan ze toevoegen om het statische van een interieur meer dynamiek te geven. Een veelgebruikte techniek is om een persoon met een lange sluitertijd door de foto te laten lopen. Dat geeft de suggestie van beweging en brengt dynamiek als je daar naar op zoek bent. Het heeft als bijkomend effect dat de persoon niet teveel de aandacht afleidt van het eigenlijke onderwerp, met name het interieur zelf. Wat scherp is, heeft een groter visueel gewicht dan wat onscherp is. Zo houd je de focus op de juiste plaats. Alles wat veel visueel gewicht heeft, moet sowieso bijdragen tot je onderwerp. Dat betekent dat alles wat scherp, licht, dominant van kleur et cetera is, de aandacht naar de ruimte moet brengen.

Bij detailfoto’s gebruik ik een lichte telelens met een groot diafragma voor een kleine scherptediepte. f/2.8, 1/125, ISO 5000, 100 mm (fullframe-equivalent)

Gebruik verder zacht licht. Een felle zon overdag maakt het zeer moeilijk om een ruimte aan de zuidkant met grote ramen goed te fotograferen. De harde schaduwen die ze veroorzaakt zijn zeer storend, het contrast is dan te groot om te overbruggen. Kies liever een moment op de dag dat het licht mooi zacht en diffuus is.

Tips voor de techniek

Wat betreft materiaal en instellingen maak ik de overzichtsfoto’s met een wijde lens met diafragma f/5.6 of f/8. Daarmee is zeker altijd alles scherp. Laat je niet verleiden om de kleinste opening van je lens te gebruiken, want dat geeft niet het beste resultaat. De ISO-waarde zet ik zo laag mogelijk voor de beste beeldkwaliteit. Ook werk ik altijd met een statief.

Voor de detailfoto’s gebruik ik weer een lichte telelens. Ik ga dan voor een kleine scherptediepte met een diafragma tussen f/1.2 en f/2.8, afhankelijk van hoeveel scherpte ik wil hebben. Deze foto’s maak ik vanuit de hand, waardoor ik een iets hogere ISO moet instellen. Maar het geeft me de vrijheid om de details vast te leggen precies vanuit de hoek die ik wil. Met een statief is dat vaak moeilijker. Werk je met flitslicht, dan kan je zowel met een reportageflitser als met een studioflitser aan de slag. Een reportageflitser is meestal niet krachtig genoeg om een grote ruimte goed uit te lichten. Dat kan je oplossen door de ruimte in meerdere keren bij te lichten en de beelden in Photoshop samen te voegen. Dat is wat omslachtig, maar lukt wel met een beetje oefening. Maak je regelmatig interieurfoto’s met flits waarbij je een hele ruimte mooi wilt uitlichten, dan is de investering in zwaarder materiaal een betere optie.

Natuurlijk en aanwezig licht

Sommige fotografen zweren bij natuurlijk licht voor hun interieurfoto’s, terwijl andere altijd flitslicht gebruiken. Geen van beide is de enige juiste manier. Maar het resultaat is wel heel anders en hangt sterk af van wat je wilt bereiken. Daarom is het belangrijk om stil te staan bij wat belangrijk is bij het soort foto’s dat je maakt.

Bij interieurfotografie met natuurlijk licht werk je het best op een statief. Behalve het voordeel dat je hiermee je rechte lijnen beter onder controle hebt, ben je met statief ook niet beperkt om bij weinig licht met lange sluitertijden te werken.

De grootste uitdaging bij het fotograferen van interieurs is het grote contrast dat je moet overbruggen tussen het licht dat vanuit een raam naar binnen komt en de donkere kant van de ruimte die er het verst van afgelegen is. Bij een plek met grote ramen op een zonnige dag is dat dynamisch bereik gegarandeerd groter dan je fototoestel aankan. Met onze ogen overbruggen we moeiteloos die grote verschillen, maar ons fototoestel kan dat niet. Dat betekent dat je moet kiezen. Meet je het licht binnen, dan zal alles bij het raam en al zeker het zicht buiten helemaal overbelicht zijn. Heb je een ruimte met een interessant uitzicht en wil je dat mee in beeld hebben, dan is een correcte belichting van dat uitzicht niet te combineren met een goed belicht interieur.

In kleurrijk verlichte ruimte gebruik je het aanwezige licht, omdat je met flitslicht de kleuren zou wegflitsen. f/5.6, 1/5, ISO 200, 25 mm (fullframe-equivalent)

Dat kan opgelost worden door gebruik te maken van HDR. Deze techniek bestaat eruit dat je meerdere foto’s maakt met verschillende belichtingen (zoals de voorbeelden op pagina 51). Je hebt minstens drie foto’s nodig waarvan één de middentonen correct belicht, één de hoge lichten en één de schaduwen. Je kan ook meer foto’s maken, zodat je meer speling hebt; sommige fotografen werken met vijf, zeven of zelfs negen foto’s. Hoeveel verschil in belichting tussen de foto’s en hoeveel foto’s je gebruikt bij deze techniek is een kwestie van smaak. Experimenteer en zie wat voor jou het beste werkt.

Er is geen juiste manier om een goede HDR te maken. Voor mij is het belangrijk om het dynamisch bereik van mijn foto groot genoeg te maken om de verschillen te overbruggen die niet mogelijk zijn in één beeld. Maar het resultaat mag niet verraden dat het om een HDR-foto gaat. In het begin is het heel verleidelijk om hierin te overdrijven. Het resultaat lijkt al snel verbluffend, maar na een tijd ga je inzien dat het erg fake overkomt. Op den duur wordt het een gimmick en dus ook saai. Het haalt de kwaliteit van je foto’s naar beneden.

Het voordeel van HDR is dat je mooie sfeerfoto’s maakt. Je sleurt niet met flitsers en lichtstatieven. Het nadeel is dat deze techniek kleurzwemen geeft. Als je gaat voor sfeer is dat net een voordeel. Maar maak je foto’s voor een interieurarchitect en moeten de kleuren correct zijn, dan is deze methode niet bruikbaar. Veel interieurs hebben natuurlijk al hun eigen verlichting. Zeker als een ruimte kleurrijk is verlicht, dan kies je ook voor een opname met het aanwezige licht. Met flitslicht zou je de kleuren wegflitsen en dat is hier nu net niet de bedoeling.

Flitslicht

Soms heb je delen in de ruimte waar niet voldoende licht is om goed in beeld te brengen zonder extra licht. Je kiest voor de sfeer van natuurlijk licht en je gebruikt de flits enkel om delen op te lichten, een zogenaamde invulflits. Je wilt een goede balans tussen het natuurlijk licht en flitslicht, waarbij het flitslicht niet opvalt maar het beeld ondersteunt.

In het voorbeeld hieronder zie je een ruimte waarbij de ene helft veel natuurlijk licht krijgt. De andere helft zit in het donker zit en is verlicht met kunstlicht. Je kunt er dan voor kiezen om in de postproductie het donkere gedeelte op te helderen. Maar daarmee breng je extra ruis in beeld, zoals je ziet in het middelste beeld. Bovendien heb je twee verschillende kleurtemperaturen die storend werken. Door het donkere deel bij te lichten met een flits sla je twee vliegen in één klap, zoals ik heb gedaan bij de onderste foto. Ten eerste maak je de ruimte even klaar als het natuurlijke licht. Daarnaast krijg je een beeld dat een mooier geheel vormt, aangezien de kleurtemperatuur van flitslicht hetzelfde is als daglicht.

Wat doe je met een ruimte waarvan de ene kant veel natuurlijk licht heeft en de andere kant in het donker zit? f/8, 1/5, ISO 200, 18 mm (fullframe-equivalent)
Je kunt het donkere deel ophelderen met bijvoorbeeld Lightroom … f/8, 1/5, ISO 200, 18 mm (fullframe-equivalent)
… maar beter is om het te verlichten met flitslicht. f/8, 1/5, ISO 200, 18 mm (fullframe-equivalent)

Hetzelfde kan je doen om details die in het donker zitten op te lichten. Op de voorbeeld-foto hierboven zit het beeld onderaan in het donker en het paneel in het midden heeft een storende slagschaduw. Met HDR los je dat niet op. De eerste foto is een samenstelling van vijf foto’s. Maar je ziet: wat geen licht krijgt blijft te donker.

Flitslicht is hier het juiste antwoord. Wat geen licht krijgt, geef je licht bij en wat teveel licht krijgt flits je weg. Je zet het beeld letterlijk in de schijnwerpers. Maar het licht van de flits heeft de koele kleurtemperatuur van daglicht, terwijl de rest de warme kleurtemperatuur van kunstlicht heeft. En het toestel is ingesteld op kunstlicht. Flitslicht is koeler dan kunstlicht en geeft een blauwe schijn. Dat los je op door een oranje filter voor de flitser te zetten. De kleurtemperatuur wordt zo gelijk aan het kunstlicht en op die manier valt het flitslicht niet op. Zorg ook dat je flitslicht uit dezelfde richting komt als het aanwezige licht, zodat de schaduwen allemaal in dezelfde richting vallen. Met een lichtmeter kan je het aanwezige licht meten. Door ervoor te zorgen dat het flitslicht dezelfde waarde heeft, krijg je een perfecte balans tussen de twee. Zo gebruik je flits bij natuurlijk licht zonder dat het opvalt.

Het beeld onderin zit in de HDR in het donker. f/6.4, 1, ISO 200, 18 mm (fullframe-equivalent)

Het tweede probleem is de slagschaduw op het paneel. Die kan je wegwerken door heel veel flitslicht toe te voegen; zoveel dat het natuurlijk licht niet meer meespeelt. Met de sluitertijd bepaal je hoeveel of hoe weinig aanwezig licht je toelaat. Hoe korter die tijd, hoe minder omgevingslicht binnenkomt. Wil je er helemaal geen, maak dan een foto die zonder flits helemaal zwart is. Dan ben je zeker dat het gebruikte licht alleen van de flits komt. Dat zal hier het probleem van de slagschaduw oplossen. Het geheel zal een typische lelijke flitsfoto geven, maar dat geeft niet. We gebruiken van deze foto namelijk alleen het paneel, dat nu een mooie egale belichting krijgt.

Het eindresultaat van de beschreven flitssessie. Door nog gerichter te flitsen op andere delen, kan je het verder verfijnen.

Voor het resultaat voeg je de foto’s samen in Photoshop. Je zou het beeld nog verder kunnen verfijnen door ook de slagschaduw op de muur weg te flitsen. De manier waarop je dat kan doen, is na bovenstaande beschrijving hopelijk duidelijk.

Flitslicht als hoofdlicht

Als je fotografeert voor een interieurontwerper, dan is het een must om de kleuren correct weer te geven. Daarvoor heb je flitslicht nodig als hoofdlicht. Flitslicht heeft de neutrale kleurtemperatuur zoals daglicht, waardoor de kleuren juist blijven. Vergelijk de twee bovenste beelden helemaal rechts op deze pagina maar eens.

Voor de flitsfoto is het overigens zeer belangrijk om een zacht licht te krijgen. Dat doe je door te flitsen via het plafond. Om een neutrale kleur te krijgen, is het absoluut noodzakelijk om te bouncen op een wit oppervlak. Is het plafond gekleurd of veel te hoog, dan heb je een reflectiescherm nodig om dit te doen. Stel die schuin boven je flits op om een mooie egale belichting te krijgen. Ook hier is het weer belangrijk om rekening te houden met de richting van het natuurlijk licht. Heb je een duidelijke lichtrichting van een raam, zorg dan dat het flitslicht vanuit dezelfde richting komt.

Maar, natuurlijk licht heeft meer sfeer dan flitslicht zoals je op de bovenste foto ziet. Flitslicht heeft de kleurtemperatuur van daglicht en geeft de kleuren correct weer, maar kan koel en clean overkomen. Het beste van deze twee werelden breng je samen met een techniek die de naam flambiant draagt, een combinatie van flash en ambiant. Hierbij combineer je een foto gemaakt met natuurlijk licht en een foto gemaakt met flitslicht op zo’n manier dat je de sfeer van de eerste combineert met de kleurechtheid van de tweede.

De juiste werkwijze is om de twee beelden als lagen in Photoshop te openen. Het beeld met het natuurlijk licht zet je bovenaan. Selecteer vervolgens beide lagen en laat het programma ze automatisch uitlijnen. Ook als je een statief gebruikt, kan de minste beweging bij het samenvoegen een onscherp beeld geven. De truc is nu om de laagmodus van de foto bovenaan te veranderen naar Luminosity. Dit zorgt ervoor dat het licht van de laag wordt doorgelaten, maar de kleuren niet. Zo behoud je de kleuren van de flitsfoto, maar breng je terug de sfeer van de foto met natuurlijk licht. Zet vervolgens de bovenste laag op een opaciteit van ongeveer vijftig procent en laat de magie gebeuren!

Meer uitdaging nodig?

Bij interieurfotografie komt heel wat kijken. Welke technieken je gebruikt, hangt af van je eigen smaak, maar ook van de wensen van je klant. Mogen de foto’s heel sfeervol zijn, dan kan je met natuurlijk licht werken. Is het belangrijk dat de kleuren waarheidsgetrouw zijn en alles loepzuiver, dan ga je flitslicht nodig hebben als hoofdlicht. Of wil je een mooie balans maken tussen het aanwezige licht en flitslicht en zo de voordelen van de twee gebruiken? Wil je met de flits kleine correcties maken zonder dat het opvalt dat er flitslicht gebruikt is? Als je echt het fijne van interieurfotografie wilt weten, dan ben je welkom op mijn volgende workshops rond dit thema. Kijk voor de data en mogelijkheden op Kattoo.be.

Advertentie



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in