Perfecte Panorama


Op de hoogte blijven van onze nieuwste artikelen?

Schrijf je dan in voor onze nieuwsbrief en ontvang elke week onze beste artikelen in je mailbox.


Het woord panorama spreekt in de fotografie voor zich. Het is de weergave van een weids vergezicht, dus een brede foto die veel van de omgeving laat zien.

Elke natuurfotograaf heeft het al eens meegemaakt. Je denkt na over een groothoekcompositie van een weids landschap, en links, rechts, boven en onder dienen zich elementen aan die je aan de foto wil toevoegen. Achteraf ben je teleurgesteld over het resultaat. Alles is klein geworden en van dat weidse uitzicht is niets meer over. Of je compositie paste niet binnen het kader omdat de beeldhoek van je objectief te klein was.

In beide gevallen kan een panorama de oplossing bieden. Hiermee maak je een aantal foto’s die elkaar telkens een stukje overlappen. Op de computer plak je deze met speciale software aan elkaar tot een naadloze foto, stitching in het Engels. Het resultaat is dus een foto met formaat dat breder (en/of hoger) is dan het opnameformaat van je camera. Hierdoor krijg je meer in beeld, zonder dat alles kleiner wordt weergeven.

f/16, 1/5, ISO 100, 164 mm, 2-stops grijsverloopfilter (negen verticale opnames)
De kapel van Tardinghen bij zonsopkomst.

Statief of niet

Hoe nauwkeuriger de losse foto’s genomen worden, hoe beter een foutloos panorama zich laat samenstellen. Het is niet onmogelijk om pano’s uit de hand te maken (zie het voorbeeld van Izola Slovenië), de ontwikkelingen in beeldstabilisatie staan immers niet stil. Maar een statief is wel aan te bevelen. Daarmee voorkom je verschuivingen in hoogte tussen de afzonderlijke opnames. Niet dat dit onmiddellijk een probleem is, het beeldformaat van de uiteindelijk gevormde foto wordt enkel iets kleiner.

Zet wel alles netjes waterpas, anders riskeer je dat de horizon afloopt. Of je daarvoor nu met een balhoofd of met een driewegkop werkt, is alleen een kwestie van gewoonte. Een balhoofd met een panoramakop bovenaan kan onafhankelijk van het balhoofd nog eens 360° horizontaal roteren. Dat werkt bijzonder vlot. De huidige generatie software is zo goed dat dure panoramakoppen geen must meer zijn.

Zorg telkens voor overlappingen van minstens 30% tussen de opeenvolgende beelden. Blijven je panorama’s beperkt tot pure vergezichten zonder voorgrond, dan is er geen probleem. Of: hoe groter de brandpuntsafstand van het objectief, hoe minder problemen. Het wordt echter lastiger van zodra de brandpunt verkleint en er meer voorgrond in beeld komt.
Dan gaat er wat mis met de voorgronddetails.

f/8, 1/400, ISO 400, 67 mm (vier horizontale opnames)
Izola Slovenië. Vier horizontale opnames uit de hand met beeldstabilisatie. Deze worden vervormd en vervolgens samengesteld door de software. Na rechttrekken en croppen krijg je het resultaat bovenaan.

Nodal point?

Het verschijnsel dat dan optreedt heet parallax. Om er een indruk van te krijgen, strek je je arm en steek je je duim omhoog en houd je deze naast een verticale lijn. Kijk er achtereenvolgens met je linker- en rechteroog naar. Je merkt dat de positie van duim en lijn telkens een beetje wijzigt.

Dit gebeurt ook bij het nemen van de opnames voor een panorama. Maak je een opname en draai je de camera voor het volgende beeld, dan is de positie van de beeldelementen in de ene foto een weinig verschoven ten opzichte van de positie ervan in de tweede. Deze ‘fouten’ dient de software te corrigeren. Hoe dichter de elementen bij de camera zijn, hoe groter de vertekening wordt. Tot op het punt dat het niet meer mogelijk is om ze te corrigeren.
Er is een bepaald rotatiepunt waarbij het parallax-effect niet optreedt. Dit is het zogenaamde nodal point. Om de camera met objectief zo op te stellen dat het draaipunt samenvalt met dit nodal point, heb je een hulpstuk nodig, een panoramabeugel. Het komt er op neer dat je daarmee de combinatie camera-lens kan verschuiven langs de as van de lens. Met een goede panoramabeugel kan je alle merken camera’s precies in het center afregelen en ook de nodige verstellingen maken voor het vinden van het nodal point.

Hoe gebruik je nu zo’n beugel, zodat die roteert rond het nodal point? Zoek twee verticalen. Zet je camera op de panoramabeugel en verplaats het statief (waterpas zetten!) tot beide op één lijn liggen aan de ene kant van je zoeker. Verdraai naar de andere kant en kijk of de lijnen ten opzichte van elkaar verschuiven. Zo ja, dan verschuif je de beugel met camera en lens naar voren of achteren en verricht je dezelfde handeling. Op een bepaald moment zullen beide zowel links als rechts in de zoeker op één lijn blijven. Markeer dat punt op de beugel, dit is het nodal punt van dit objectief (of brandpuntsafstand bij een zoomlens).

Tip: gebruik de live view van je camera om het proces wat te versnellen.

Zelfgebouwde panoramabeugel.

Beeldformaten

De meeste enkelvoudige beeldformaten zijn algemeen bekend. Het 2:3-formaat is een van de meest voorkomende, daarnaast heb je ook nog 4:3 en 16:9. Dat laatste doet al denken aan een panorama en is eenvoudig te croppen uit een ‘normaal’ beeld.

De beeldverhouding van een uit losse beelden samengestelde pano is veel breder dan zijn hoogte. Er is geen vaste regel voor het formaat, maar verhoudingen die prettig ogen liggen tussen 1:2 en 1:3. Zo is het uit het analoge tijdperk afkomstige 6:17-formaat nog altijd gangbaar. In de huidige digitale wereld ben je natuurlijk niet gebonden aan een vast formaat, je kan croppen zoals je wilt.

f/8, 1/500, ISO 400, 150 (zeven horizontale beelden)
Deze foto heeft een verhouding van 1:4.

Natuurlijk zijn ook verticale panorama’s mogelijk. Je onderwerp zal zich hiertoe moeten lenen, de beste resultaten krijg je dan van een waterval, hoge rots en dergelijke.
De opeenvolgende beelden hoeven zelfs niet allemaal op dezelfde rij te liggen. Je kan een reeks horizontale beelden maken en vervolgens de camera met beugel lager of hoger zwenken, wederom met 30 procent overlapping. Als je in tegengestelde zin terug roteert naar het beginpunt, heb je twee rijen horizontale beelden om je panorama mee samen te stellen. Je kunt zelfs meer rijen foto’s maken. We spreken in dit geval van een matrix panorama. Kan je bij enkelvoudige panorama’s nog uit de voeten zonder panoramabeugel, bij dergelijke matrix-pano’s lukt dat niet meer.

Alle panorama’s hebben met elkaar gemeen dat de resolutie flink wordt opgeschroefd. Je 20-megapixelcamera wordt er dan plots een van 50 megapixel of meer. Bijgevolg kan je dus ook supergrote afdrukken maken zonder kwaliteitsverlies. Dat is een van de grote troeven van samengestelde panorama’s.

Bij het samenstellen van een panorama is er geen verschil tussen horizontale of verticale opnames. Wat wel telt, is dat je bij horizontale opnames sneller een langer eindresultaat bekomt. Bij vier of meer opnames is het eindresultaat al snel te lang gerekt en begint het op een sigaarvorm te lijken. Verticale beelden hebben als voordeel dat je minder snel die te lange verhoudingen bereikt.

Objectieven

Met vrijwel elk objectief zijn panorama’s te schieten. Het resultaat hangt in hoge mate af van het brandpunt. Groothoeken nemen meer op in hetzelfde beeld zodat er weinig opeenvolgende foto’s nodig zijn. Ze accentueren de voorgrond. De achtergrond echter wordt kleiner afgebeeld. Ideaal voor vlakke landschappen om toch wat diepte te creëren.
Telelenzen doen net het tegengestelde. Ze hebben een nauwere beeldhoek en nemen weinig beeldelementen op. Er zullen meer foto’s nodig zijn om hetzelfde panorama te maken. De details in beeld worden wel groter afgebeeld en het beeld wordt meer samengetrokken. De achtergrond lijkt normaal tot groter weergegeven. Normale objectieven liggen hier zowat tussenin.

Zorg er altijd voor dat je statief waterpas staat (horizontaal) en de camera horizontaal en verticaal is uitgelijnd. Op die manier wordt de horizon als een rechte lijn afgebeeld. Kantel je nu echter de camera, dan wordt deze in de pano niet meer als een rechte maar als een kromme lijn weergegeven. Ook vervormingen aan de beeldranden kunnen een rol spelen. Dit effect wordt sterker bij kleinere brandpuntsafstand. Dit is het normale verschijnsel van perspectief vervormingen bij groothoekobjectieven. De software corrigeert deze achteraf, zie wederom het voorbeeld van Izola Slovenië.

Een vast objectief heeft minder fouten dan een zoomobjectief. Vervormingen, chromatische aberraties (kleurranden) kunnen een rol spelen op de kwaliteit van het panorama. Een eenvoudig vast brandpunt van bijvoorbeeld 50 mm is een zeer goed uitgangspunt. Deze lenzen zijn niet duur en kwalitatief goed. Hogere brandpunten kunnen zeker, maar je zal dan meer beelden moeten opnemen om eenzelfde beeldhoek te bestrijken in je breedbeeldfoto.
Je kunt stellen dat je tot 35 mm weinig problemen tegenkomt, experimenteer du gerust met groothoeken.

Bij zoomlenzen vermijd je het best de beide uitersten van de brandpuntsafstand. Die presteren aan de randen doorgaans het slechtst, tenzij je met topmateriaal aan de slag gaat.
Diafragmeer tot tenminste f/8 of f/11, dat zijn de openingen waarbij de lens het best presteert. Stel van tevoren scherp en zet voor alle opnames de autofocus uit. Ook panorama’s waarin beelden zijn verwerkt met focus stacking zijn mogelijk.

Panorama’s juist belichten

f/11, ½, ISO 100, 45 mm (vijf horizontale beelden)
Gebruik het juiste licht in het bos.

De belichting van de losse opnames volgt dezelfde regels als het fotograferen van landschappen. Omdat je een breed bereik bestrijkt, meet je op meerdere plaatsen. Gebruik het gemiddelde van de waardes voor de instelling van de belichting. Probeer altijd met de helderste opname te starten of in elk geval hierop je belichting af te stemmen. Zo werk je geleidelijk naar opnames die minder helder zijn en wordt overbelichting vermeden.

Werk manueel, zodat de meter niet wordt beïnvloed door verschillen tussen de beelden. Bij veel contrast kan een grijsverloopfilter uitkomst bieden en ook HDR-technieken kunnen helpen. Eveneens belangrijk is de witbalans. Neem een vaste waarde en zeker geen automatische witbalans. Fotografeer in RAW en geef alle beelden eenzelfde bewerking in de RAW-convertor.
Bewegingen van elementen in de verschillende beelden (wolken, takken, mensen of dieren) leiden soms tot spookbeelden. Ten dele kan dit door het programma worden aangepakt, soms valt het resultaat best mee.

Vermijdt ten slotte een polarisatiefilter. De kleurverschillen in de lucht zijn vaak niet meer op elkaar af te stemmen. En vergeet bovenal het belangrijkste niet: het licht in landschappen maakt het beeld!

f/11, 1/50, ISO 100, 45 mm, 2,5 stops verloop grijsfilter
De morgenstond zorgt voor sfeer in de Semoisvallei.

Software om te stitchen

Er is een grote keuze aan programma’s voorhanden, van gratis tot duur. Ik beperk me tot de belangrijkste. Ze hebben gemeen dat ze overeenkomsten zoeken in de overlappende beelden (controlepunten) en deze zo vervormen tot ze naadloos aansluiten. Door de rotatie bij het fotograferen creëren we een cilinderperspectief. Deze wordt echter op een plat vlak getoond zodat er eigenaardige curven kunnen ontstaan. De betere software laat je een aantal keuzes wat betreft de projectiemethode en ook de controlepunten kan je daarin beïnvloeden. Verder wordt een blending toegepast op de verschillende beelden zodat kleuren naadloos in elkaar overvloeien. Soms wordt ook een deghosting of bewegingscompensatie losgelaten.

f/11, 1/10, ISO 100, 90 mm (drie horizontale opnames)
Hoge Venen. De winter leent zich prima om verstilde panorama’s te maken.

De gratis programma’s zijn meestal sterk geautomatiseerd en de resultaten vallen meestal goed mee. De bekendste zijn Autostitch, Hugin en Microsoft ICE. Photoshop en Lightroom hebben de afgelopen jaren steeds betere mogelijkheden gekregen om van losse beelden een panorama te maken. Geavanceerd zijn de programma’s PTassembler en PTgui. Houd bij deze wel rekening met een steile leercurve en geen automatische handelingen. Als Photoshop de bal mist, kom ik altijd terug bij PTassembler. Die levert geweldige resultaten.

De puntjes op de i zet je altijd zelf. Nog een weinig croppen, nog even een aanpassingslaag met curven, toch dat paars kleurrandje wegwerken. Het belangrijkste is altijd dat de horizon echt recht staat.

f/16, 1/15, ISO 100, 45 mm, 3 stops grijsverloop (vier horizontale opnames)
Mist maakt ook op panorama’s het landschap net even anders.

Extra: Stappenplan voor panorama’s

  • Visualiseer je compositie en probeer in te schatten hoeveel beelden deze vereist. Reken horizontaal op een 3 à 4 beelden, verticaal 4 à 7, meer kan ook.
  • Zet het statief waterpas op de keuze van standpunt. Zet ook de camera met een opzetwaterpasje of digitaal waterpas recht.
  • Gebruik een panoramabeugel in functie van wel of geen voorgrond. Dit hangt samen met de keuze van het brandpunt. Denk bij telefoto’s aan de stabiliteit.
  • Bepaal het scherpstelpunt dat alles scherp wordt en zet vervolgens de autofocus uit.
  • Meet op verschillende punten binnen je compositie en kies een gemiddelde belichting. Belicht manueel en gebruik geen pola-filter. Een grijsverloop kan wel.
  • Maak opnames met voldoende overlap en neem ook meer in beeld dan de gekozen compositie, omdat er altijd wordt bijgesneden.
  • Gebruik het best altijd een draadontspanner.

Dit artikel werd geschreven door natuurfotograaf Marc De Schuyter. Meer foto’s van Marc kan je vinden op www.mds-natuurfotograaf.be of hier op de Shoot website, zoals dit artikel over fotograferen in het bos met bomen als onderwerp.



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.


LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in