Om mooie macrofoto's te maken heb je geen duur macro-objectief nodig. Je kan ook een oude lens omgekeerd op je camera plaatsen. Als je onze workshop toepast, krijg je creatieve resultaten.

Om mooie macrofoto's te maken heb je geen duur macro-objectief nodig. Je kan ook een oude lens omgekeerd op je camera plaatsen. Als je onze workshop toepast, krijg je creatieve resultaten.

Bij macrofotografie gaat het erom je onderwerp levensgroot – met een reproductiefactor 1:1 – op de beeldsensor te krijgen. Hoe groter de afstand tussen het laatste lenselement en de beeldsensor, hoe sterker het onderwerp wordt vergroot. Daarom kan je voor macrofotografie tussenringen gebruiken die je tussen de camera en de lens plaatst: zij vergroten immers die afstand.

Een andere oplossing is je objectief omgekeerd op een zogenaamde omkeerring te plaatsen, zodat het voorste lenselement nu het dichtst bij de sensor zit. De meeste lenzen zijn zo gebouwd dat bij een omgekeerd objectief de afstand tussen dit (omgekeerde) voorste lenselement en de sensor groter is dan de afstand tussen het achterste lenselement en de sensor bij normaal gebruik. Door de lens om te keren ontstaat een sterke vergroting, zodat we hiermee macrofoto!s kunnen maken.

 

Op deze Sony Alpha 700 hebben we een 50mm-objectief omgekeerd geplaatst.

Welke lens?
We gebruiken een lens met manuele scherpstelling (MF) en een brandpuntsafstand tussen 20 en 50 mm. Een 35mm-lens geeft een reproductiemaatstaf van 1:1. Als je onderwerp 1 cm groot is, dan wordt het 1 cm groot op de CCD-sensor geprojecteerd. Heb je een digitale camera met een beeldsensor in APS-C-formaat, hou dan rekening met de cropfactor van 1,5x of 1,6x: die maakt ook je onderwerp groter.

Een 20mm-lens vergroot je onderwerp driemaal. Deze lens heeft ook het voordeel dat hij een breder beeld geeft dan een standaardlens (50mm) of kleine telelens. Welke keuze je ook maakt, je onderwerp wordt sterker vergroot dan door een macrolens.

Met de EOS-RETRO-adapter behoud je volledige controle over diafragma en lichtmeting.

Adapterringen
Om een omgekeerd objectief te gebruiken heb je een adapterring nodig. De ene kant daarvan past op de lensvatting van je camera, en de andere schroef je in de filterdraad van het objectief. Je hebt dus een adapterring nodig voor jouw cameramerk en met de juiste filtermaat voor het objectief dat je wil gebruiken.

Novoflex biedt voor Canon EOS-camera's een EOS-RETRO-set aan, waarmee de normale camera-lensverbinding behouden blijft. Bij dit systeem worden de instellingen voor de lichtmeting en diafragma via de adapterring overgebracht, wat zeer handig is.

Als voor je camerabody geen omkeerring te vinden is, kun je als alternatief ook een adapterring van een microscoop gebruiken. Met een stukje tape bevestig je de lens omgekeerd aan deze adapterring. Dat deden wij met een 50mm f/1.7-objectief op de Sony Alpha 700 camerabody.

Met een macro-rail verschuif je de camera ten opzichte van het statief.

Scherpstellen
De scherpstelring op de lens wordt door het gebruik van omkeerring onbruikbaar. Je kan dus niet op de normale manier manueel scherpstellen door aan de ring te draaien tot je onderwerp scherp in beeld is.

Bij een omgekeerd objectief ligt het scherpstelpunt op een vaste afstand voor de lens. Door door de camera naar het onderwerp toe of van het onderwerp weg te bewegen zorg je ervoor dat het scherpstelpunt op je onderwerp ligt. Hierbij moet je constant door de zoeker kunnen kijken. Het is daarom nuttig om met een statief te werken. Een stabiele opstelling maakt het ook gemakkelijker om de compositie goed te bepalen.

Een handig hulpmiddel is in dit geval een macro-instelslede zoals de Castel-Mini van Novoflex. Hiermee kan je de hele camera verschuiven ten opzichte van het statief. Dat is zeer handig voor het scherpstellen, maar ook voor het bepalen van het scherptedieptegebied.

Camera-instellingen
Om met een omgekeerd objectief te werken moeten we in het menu van de camera de instelling om zonder objectief te fotograferen activeren. Anders denkt de camera dat er geen objectief is, en zal hij geen foto willen maken. Raadpleeg de handleiding van je camera om deze optie te activeren.

Bij een omgekeerd objectief is er geen communicatie mogelijk tussen camera en objectief. Het automatische belichtingsprogramma werkt dus niet.

Je kan dit op twee manieren oplossen. Als je een externe flitser als lichtbron gebruikt en deze op TTL (through the lens) lichtmeting zet, zal de lichtmeter in de camera de flitser automatisch doven zodra het onderwerp voldoende belicht is. Of je kan de camera in manuele modus zetten en de sluitertijd zo instellen dat de lichtmeterindicator aangeeft dat het onderwerp goed belicht is.

Je ziet deze indicator in de zoeker als een lichtgevend balkje met de waarde van -2 tot en met +2 (afhankelijk van cameratype). Pas de sluitertijd aan tot deze indicator op 0 staat voor een normale belichting. Je kan de foto naar eigen smaak ook onder- of overbelichten.

Diafragma instellen
Op oudere objectieven zit een diafragmaring. Door deze te verdraaien kan je het gewenste diafragma instellen. De diafragmaring zit normaal vlak tegen de camerabody, maar bij een omgekeerd objectief natuurlijk aan de andere kant.

Bij een omgekeerd objectief zit de diafragmaring vooraan.

 

Wanneer je aan de diafragmaring draait, is het resultaat meteen in de zoeker te zien. Wanneer je een klein diafragma (hoog diafragmagetal) zoals f/16 instelt, wordt het zoekerbeeld erg donker doordat de kleine opening slechts weinig licht doorlaat. Je kan dat oplossen door eerst een groot diafragma zoals f/5.6 te kiezen en hiermee de scherpstelling en compositie te bepalen. Pas als dat gebeurd is, draai je het diafragma dicht naar f/16.


Bij een klein diafragma krijg je een veel grotere scherptediepte.
(f/5.6, 1/80, ISO 200, omgekeerd 50mm-objectief)
(f/16, 1s, ISO 200, omgekeerd 50mm-objectief)

Zoals steeds bepaalt het diafragma de scherptediepte in de foto, wat je op bijgaande voorbeeldfoto's goed kan zien. Bij een groot diafragma zoals f/5.6 is maar een klein deel scherp, wat een artistieke indruk geeft. Bij f/16 krijg je ook de bloemblaadjes scherp, waardoor de structuur van de bloem goed is te zien. Je ziet ook dat de sluitertijd toeneemt naarmate we een kleiner diafragma gebruiken. Bij f/16 bedraagt de sluiter een volle seconde. Je moet dus absoluut op statief werken; bij deze lange sluitertijden kan je niet uit de hand fotograferen.

Flitsen
Doordat je met de camera erg kort op het onderwerp zit, valt je eigen schaduw vaak over het onderwerp. Dat maakt de sluitertijden langer en geeft vaak een ongewenste lichtval op het onderwerp. Daarom is het vaak noodzakelijk om met een losse flitser een invulflits te geven, zodat de donkere plaatsen in het onderwerp zichtbaar worden en de schaduw weer terug op de juiste plaats ligt.

Let op dat je de losse flitser onder een hoek van 45 graden ten opzichte van je onderwerp plaatst. De ingebouwde flitser moet je bij gebruik van het omgekeerde objectief niet gebruiken, omdat door de korte werkafstand de lens schaduw over het onderwerp geeft.

Gebruik een flitser die in een hoek van 45 graden tegenover je onderwerp staat (f/11, 1/4s, ISO 200, omgekeerd 50mm-objectief).

Door de flitssterkte van die losse flitser via het flitsmenu aan te passen, kan je de gewenste hoeveelheid flitslicht eenvoudig bepalen. Maak enkele opnames met verschillende lichtsterkte van de flitser, en kies aan de hand van deze foto's het gewenste flitseffect.

Compositie
Wegens de sterke vergroting door het omgekeerd objectief moet je heel nauwkeurig omgaan met de positie van de camera, omdat elke kleine beweging van de camera een grote invloed heeft op de compositie.

Verplaats de camera een paar millimeter te veel, en je onderwerp is geheel of gedeeltelijk uit je zoekerbeeld. Voordat je bijvoorbeeld een insect zou willen fotograferen, oefen je daarom eerst het best op een stilstaand onderwerp zoals een bloem (opgelet voor de wind), een horloge of de afstandsbediening van je televisie. Hierbij leer je omgaan met de sterke vergroting.

Een heel veilige compositie krijg je door je zoekerbeeld horizontaal en verticaal in drie delen te verdelen, zodat je totaal negen rechthoeken krijgt. Zorg ervoor dat je onderwerp op een van de snijpunten ligt die deze vlakken met elkaar verbinden.

Als je dit onder de knie hebt, verplaats de camera dan eens onder een hoek van 50 graden ten opzichte van je onderwerp, en kijk dan eens hoe het perspectief verandert. Zo maak je heel creatieve foto's.

Tips
– Experimenteer met verschillende extreme camera-instellingen, zo ontstaan creatieve beelden.
– Gebruik de flitser vanuit verschillende standpunten.
– Gebruik een draadontspanner.
– Experimenteer eerst binnenshuis, waar je de lichtomstandigheden beter onder controle hebt.

[extern_gallery urls=”http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_1.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_2.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_3.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_4.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_5.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_6.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_7.jpg||http://cdn.minoc.com/zd_images/2012/12/118155_9.jpg” caption=”||||||||||||||”]

Advertentie



Wil je beter leren fotograferen?

Neem dan een abonnement op Shoot Magazine (8x per jaar).

Shoot is hét fotografiemagazine voor en door enthousiaste fotografen. In Shoot vind je de beste tips en trucs, workshops en cursussen voor geslaagde foto’s, de knapste fotoplekjes in België, de helderste uitleg over fotografietechnieken, tests van nieuwe camera’s, lenzen en meer, plus foto’s van de beste Belgische fotografen.