Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie over de cookies waarvan deze website gebruik maakt klik hier. Door verder op deze website te surfen geeft u de toestemming aan Minoc Data Services om cookies te gebruiken.

Haal meer licht uit je flitser

Flitslicht is verslavend. Eens je ervan geproefd hebt, is de kans groot dat je steeds krachtigere flitsers wil gebruiken. Maar voor je geld neertelt, ga je best na of je wel het meeste uit je bestaande flitser haalt. In dit artikel tonen we hoe je meer licht uit een eenvoudige reportageflitser of een krachtige studioflitser tovert.

Elke flitser, of dat nu een reportageflitser is die je op je camera zet of een studioflitser, heeft een maximale output. Voor reportageflitsers wordt die uitgedrukt met het zogenaamde richtgetal, bijvoorbeeld 36 of 48. Voor studioflitsers (op netstroom of of batterijen) wordt de output uitgedrukt in Ws (Wattseconde). De twee grootheden zijn niet zomaar te vergelijken, maar ruw gerekend kan je stellen dat een draagbare studioflitser van 600 Ws ongeveer even krachtig is als 6 tot 8 reportageflitsers.
De maximale output van je flitser is een fysieke beperking. Je flitser kan niet meer vermogen leveren dan dat maximum. Toch zijn er verschillende redenen te bedenken waarom je een krachtiger flitser zou willen gebruiken. Misschien wil je werken met grotere lichtomvormers zoals softboxen of paraplu’s. Doordat die groter zijn ten opzichte van je onderwerp, krijg je zachter licht. Bovendien geldt dat hoe groter de lichtomvormer is, hoe meer het licht in alle richtingen verstrooid wordt en dus ook voorbij je onderwerp gaat. Veel fotografen zullen zelfs doelbewust hun parapu of softbox niet recht op het model richten, maar ervoor, zodat het model belicht wordt door de randzone van het licht. Dit ‘featheren’ levert immers mooier en zachter licht op. De keerzijde van de medaille is dat je een krachtigere flitser nodig hebt om een grote softbox te ‘vullen’ met licht.

Locatie, locatie

Ook wanneer je je flitser op locatie gebruikt, is meer flitskracht vaak wenselijk. Wanneer je flitslicht met omgevingslicht mengt, zal je met een krachtiger flitser het omgevingslicht meer kunnen onderdrukken. Met een gewone reportageflitser zal je misschien maar een kleine invulflits kunnen geven. Met een krachtiger flitser kan je het aanwezige licht overpoweren. Hoe meer aanwezig licht er is, en hoe groter de lichtomvormer die je wil gebruiken, hoe krachtiger je flitser moet zijn om in je opzet te slagen. Een krachtiger flitser geeft je dus meer controle over de uiteindelijke balans tussen beide lichtbronnen.
Nog een reden om een krachtiger flitser te gebruiken is dat je dan voor een vergelijkbare output een snellere herlaadtijd krijgt. Zo zal een reportageflitser op vol vermogen al snel drie seconden nodig hebben om opnieuw op te laden. Werk je met een 600 Ws studioflitser, dan kan je die op 1/8 à 1/4 van de kracht instellen om dezelfde lichtopbrengst te hebben. Op vol vermogen heeft zo’n studioflitser misschien ook 3 seconden nodig, maar op 1/4 of 1/8 kracht heeft hij maar een fractie daarvan nodig om klaar te zijn voor de volgende foto.
Redenen genoeg dus voor een upgrade naar een zwaardere flitser. Maar wat als je budget of cameratas dat niet toelaat? Dan komt het erop aan om het maximale uit je bestaande materiaal te halen.

Deze foto werd overdag bij volle zon gemaakt en toch ziet hij er uit alsof hij laat in de avond gemaakt werd. Dat effect bekwam ik door een krachtige 600Ws draagbare studioflitser op vol vermogen te laten werken. Zo kon ik het aanwezige omgevingslicht ‘overpoweren’.

 

Zet je lichten dichter

De simpelste manier om meer uit je bestaande flitser te halen, is om je licht dichter bij je onderwerp te zetten. Zo vang je twee vliegen in één klap: ten eerste krijg je zachter licht, omdat je lichtbron relatief groter wordt ten opzichte van je onderwerp en het is net die relatieve grootte die ervoor zorgt dat je licht zachter wordt. Daarom zal je merken dat bij veel fotoshoots waar zacht licht gewenst is, de lichten net buiten beeld staan.
De tweede vlieg die je vangt? Bij gelijke kracht van je flitser valt meer licht op je onderwerp. Lijkt natuurlijk logisch, maar wat je misschien niet wist, is dat het verschil heel snel toeneemt: indien je de afstand tussen je licht en je onderwerp halveert, valt er liefst vier keer meer licht op je onderwerp! Dit noemt men de omgekeerde kwadraatswet: de lichtopbrengst evolueert omgekeerd evenredig met het kwadraat van de afstand. Of met andere woorden: één reportageflitser op één meter van je onderwerp zal evenveel licht op dat onderwerp laten vallen als vier van die reportageflitsers op twee meter. Wat wel verschilt, is dat in het eerste geval het licht sneller zal afvallen. Zit je model bijvoorbeeld op één meter van de achtergrond, dan zal de achtergrond een pak donkerder worden dan in de opstelling met vier flitsers op twee meter van je model (en dus drie meter van de achtergrond). Het dichter plaatsen van je flitser beïnvloedt dus ook het globale licht in je foto!

 

Het handige programma set.a.light 3D STUDIO  laat je toe om lichtopstellingen te vergelijken en interactief te leren hoe licht zich gedraagt. Boven zie je een reportageflitser op volle kracht. Onderaan heb ik de afstand tussen reportageflitser en model gehalveerd. Om (ongeveer) eenzelfde belichting op het gezicht van het model te krijgen, mocht de reportageflitser zakken naar 1/4 van zijn kracht! Of omgekeerd, indien ik hem op vol vermogen had laten staan, kon ik diafragma f/22 in plaats van f/11 gebruiken. Dit experiment toont ook dat alhoewel de belichting op het gezicht min of meer dezelfde blijft, de look van de foto toch verandert: in de bovenste foto is de achtergrond lichter. Dit komt omdat het verschil in afstand tussen flitser en onderwerp enerzijds en flitser en achtergrond anderzijds hier kleiner is dan bij de onderste foto.

Gebruik een statief

Eén praktisch probleem met het dichter plaatsen van je licht is dat het statief vaak sneller in beeld komt dan de lichtbron zelf. Een eerste optie is om met een assistent te werken die de flitser vasthoudt op een boom-arm zoals de Lastolite Non-Rotating Extending Handle. Een hele mondvol voor een soort uittrekbare monopod om je licht op te bevestigen. Een tweede optie is een zogenaamd boomstatief. Franstaligen noemen dit ‘une giraffe’ en die vlag dekt de lading heel mooi: met zo’n giraf kan je namelijk je licht dichter bij je onderwerp krijgen zonder dat het statief zelf in beeld komt. Een boomstatief is overigens onmisbaar wanneer je je licht recht voor je onderwerp wilt plaatsen: met een gewoon statief zou het statief voor je lens staan… Voorzie ook voldoende tegengewicht als je wil vermijden dat je dure flitser tegen de grond gaat.

De juiste lichtomvormer

Veel fotografen houden van zacht licht, zeker voor portretfotografie. Hoe groter je lichtbron in verhouding tot je onderwerp, hoe zachter het licht zal zijn. Helaas betekent een grotere lichtbron ook dat er een grotere oppervlakte moet verlicht worden, waardoor je flitser harder moet werken om dezelfde hoeveelheid licht op je onderwerp te krijgen. Bij gelijke flitskracht zal er dus meer licht op je onderwerp vallen met een 60 x 60 softbox dan met een exemplaar van anderhalve meter!
Werk je zonder lichtomvormer, dan kan je op een reportageflitser een gigantisch verschil maken door de flitskop meer of minder te zoomen. Op 200 of 105 millimeter bundel je het licht veel meer dan op 24 mm. Dezelfde hoeveelheid licht wordt dan meer gebundeld, zodat er meer licht op je onderwerp valt.
Op een studioflitser kan je een reflector gebruiken om het licht meer te bundelen. Sommige merken hebben zogenaamde zoom-reflectoren in hun gamma die het licht nog meer bundelen dan een gewone reflector. Ook hier geldt weer dat deze accessoires niet alleen de hoeveelheid van het licht veranderen dat je onderwerp raakt, maar ook de kwaliteit ervan: omdat ze op het licht bundelen, worden de schaduwen harder. Voor reportageflitsers bestaat er ondermeer de Magbeam van Magmod. Dit magnetische accessoire bevestig je op de eveneens magnetische houder die je op je flitserkop plaatst. De MagBeam wordt geleverd met twee lenzen: een groothoek en een telelens. Die laatste laat je toe een spotlight effect te creëren en de effectieve opbrengst van je flitser te vergroten.

De MagBeam van MagMod met het telelens accessoire. Geliefd bij natuur- en wildlifefotografen: zij kunnen hun flitsers meestal niet heel dicht bij hun onderwerpen plaatsen zonder dat die ervandoor gaan.

 

Werk op de synchro-tijd

De vorige opties mogen dan wel effectief zijn, ze zijn ook weer niet allemaal even doeltreffend omdat ze meestal ook de look van het licht in je foto veranderen. Met deze tip maak je het leven voor je flitser makkelijker, zonder dat er echt nadelen aan verbonden zijn. Om dit uit te leggen moeten we even het begrip synchronisatietijd uitleggen. Dat is de snelste (kortste) sluitertijd waarbij een flitser met één normale flits je hele sensor (of negatief) kan belichten. Werk je met nog kortere sluitertijden, dan is de sluiter in je camera al aan het dichtgaan terwijl de flits nog actief is. Je krijgt dan een zwarte balk in je beeld op de plaats die door de sluiter wordt afgedekt – en hoe korter je sluitertijd, hoe breder die balk wordt.
Voor de meeste camera’s situeert deze sync-tijd zich tussen 1/160ste en 1/250ste van een seconde. Zolang je op of onder de synchro-tijd van je flitser blijft, maakt het voor die laatste niets uit welke sluitertijd je effectief gebruikt. Vijf seconden of één vijftigste, de flitser heeft er lak aan: het is in beide gevallen lang genoeg om zijn lading licht op de sensor te droppen. Wat voor die flitser wel uitmaakt, is de lensopening waardoor dat flitslicht je sensor bereikt. Is die lensopening relatief gesloten (hoog f-getal, bv. f/16), dan raakt er minder licht op de sensor dan wanneer die lensopening wijd open staat (laag f-getal, bv. f/2.8). Wanneer je in open lucht of in een niet-verduisterde ruimte met flitslicht werkt, zijn er eigenlijk twee lichtbronnen die samen de totale belichting in je foto uit gaan maken. Er is de achtergrondbelichting (ook wel omgevingsbelichting of aanwezig licht genoemd) en de flitsbelichting.
Een voorbeeld zal het verschil tussen beide duidelijk maken. Beeld je even in dat je een model in een woestijn fotografeert met kilometers achter haar de skyline van Dubai. Omdat je flitslicht nooit tot aan die skyline raakt, stel je de belichting eerst in zodat die achtergrond belicht is zoals jij wil: dat is dan je achtergrond- of omgevingsbelichting. Stel dat, om de skyline goed te krijgen, je camera je een combinatie van f/16, ISO 100 en 1/50ste seconde voorstelt. Dat is een relatief klein diafragma. Je flitser zal heel hard moeten werken, omdat het flitslicht door een kleine lensopening moet. Om dezelfde omgevingsbelichting te krijgen zou je je camera kunnen instellen op f/8, ISO 100 en 1/200ste seconde. Bij deze instellingen valt er net zoveel licht op je achtergrond: je hebt de sluitertijd met twee stops ingekort, maar ter compensatie het diafragma twee stops opengedraaid. Er bereikt dus net evenveel omgevingslicht je sensor, al is er uiteraard een verschil in scherptediepte.
Voor je flitser maakt het echter wel een groot verschil of hij door een lensopening van f/16 dan wel f/8 zijn lading licht op de sensor mag uitstrooien. Die laatste is immers twee stops of vier keer zo groot. Je flitser moet bij deze instellingen dus maar een vierde zo hard werken om toch evenveel licht op je onderwerp af te leveren. En zolang je sluitertijd niet korter is dan de synchro-tijd van je camera, krijg je geen problemen met je flitser.
Wat als je nu per se toch de grotere scherptediepte van f/16 in je foto wil? In dat geval kan je die andere variabele, de ISO, nog aanpassen. Je zou dan bij 1/250e je diafragma terug kunnen toeknijpen naar f/16 en ter compensatie de ISO twee stops omhoogschroeven naar ISO 400.

Deze foto werd genomen bij heel veel natuurlijk licht op 1/180ste seconde omdat de camera in kwestie (een Fujifilm X-T1) een syncro-tijd van 1/180e heeft. Om de achtergrond te belichten zoals ik dat wilde, had ik normaal gezien een diafragma van f/16 nodig. Om toch op de maximale opening van mijn lens (f/2.8) te kunnen werken, gebruikte ik een 5 stops grijsfilter die zowel het omgevingslicht als het flitslicht blokkeert.
Sneller flitsen

De regel dat je best de flitssynchronisatietijd van je camera respecteert, gaat ook weer niet altijd op. De jongste jaren heeft een nieuwe techniek, High-Speed Sync of afgekort HSS ervoor gezorgd dat je – op voorwaarde dat zowel je flitser, je camera als eventueel gebruikte flitszenders het HSS-systeem ondersteunen – niet langer beperkt was tot je synchrotijd. Je kan met andere woorden flitsen tot 1/8000ste van een seconde.
HSS is voor twee zaken interessant. Ten eerste laat het je toe om actie te bevriezen wanneer je flits- en omgevingslicht met elkaar mengt, doordat je kortere sluitertijden kan hanteren. Ten tweede kan je het gebruiken om bij veel omgevingslicht toch te werken met wijd open diafragma’s. Even terug naar het voorbeeld, waar we op ISO 100 en een sluitertijd van 1/200e een diafragma van f/8 gebruikten. Wat als je liever op f/1.4 (5 stops meer open) zou fotograferen om de achtergrond helemaal te vervagen? Dan laat HSS je toe om je sluitertijd te verkorten tot 1/6.400ste en toch nog te kunnen flitsen. Hier is echter één nadeel aan verbonden: voorbij de synchro-tijd gebruikt HSS een andere methode waarbij relatief veel flitslicht verkwist wordt… Je zal je flitser dus krachtiger moeten instellen. Om die reden gebruik je HSS best alleen als je de kortere sluitertijden nodig hebt. Is het je louter om de grote diafragma’s te doen, dan werk je beter met een grijsfilter. Die blokkeert een deel van het licht (zowel omgevingslicht als flitslicht) dat door je lens valt, zodat je op je synchro-tijd kan blijven werken. In het voorbeeld hierboven zou je door een 5 stops ND filter voor je lens te schroeven de synchro-tijd kunnen respecteren, zodat je flitser geen vermogen inboet door HSS. Omdat ook een deel van het flitslicht geblokkeerd wordt, zal je flitser ook wel harder moeten werken – niets is gratis in het leven!

De opties die we tot nu toe behandelden, moest je tijdens het fotograferen al bedenken. In een volgend artikel bespreken ook nog een aantal technieken die je – al dan niet in combinatie met een zorgvuldige planning tijdens het shooten zelf – kan gebruiken tijdens de nabewerking.