Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie over de cookies waarvan deze website gebruik maakt klik hier. Door verder op deze website te surfen geeft u de toestemming aan Minoc Media Services om cookies te gebruiken.

Flitslicht mengen met natuurlijk licht (1)

Hoe ga je te werk?

Flitslicht mengen met natuurlijk licht (1)

Flitslicht en aanwezig licht lijken elkaars tegenpool. Flitslicht maak je zelf; je regelt de positie, de aard en de sterkte. Het aanwezige licht is er, je moet het als fotograaf ondergaan – al kan je het wel proberen te manipuleren door gebruik te maken van verschillende technieken. Als je beide lichtvormen op een goed doordachte en correcte manier mengt, kan je komen tot zeer diverse en bijzondere resultaten.

Voor de openingsfoto bij dit artikel hebben we een lichte invulflits gebruikt om ietsjes minder contrast te krijgen tussen de donkere zijde van het model en de beter verlichte zijde aan de kant van het raam, waar het natuurlijke licht binnenvalt. Dat heeft ervoor gezorgd dat de belichting van het totaalbeeld meer gebalanceerd is. De zachtheid en de tederheid van het model worden benadrukt, zonder dat het natuurlijke gevoel is verdwenen.

Flitslicht is een hulpmiddel

Fotografen die zich vooral focussen op het gebruik van zuiver omgevingslicht hebben soms een natuurlijke afkeer van flitslicht. Vaak hoor je dat flitslicht niet mooi zou zijn, of dat bij gebruik van flitslicht het natuurlijke gevoel uit de foto’s zou verdwijnen. Enkelen beweren dat flitslicht de foto ‘plat’ maakt en dat daardoor het dieptegevoel uit het beeld verdwijnt.

Veel heeft te maken met de manier waarop het flitslicht ingezet wordt: het standpunt, de kracht van de flitser, de richting en de afmetingen van de flitsbron. Leer licht en dus ook flitslicht gebruiken en zien, integreer het in je beeld zodat het een meerwaarde vormt, maar vooral: beschouw het als een handig hulpmiddel.

Als flitslicht echt alleen een lelijk resultaat zou geven, waarom zouden er dan dagelijks zo veel studioflitsers verkocht worden? Het is een lichtbron die je moet leren temmen, maar met de juiste kennis en oefening lukt dat. Overigens geldt hetzelfde voor natuurlijk licht: ook dat moet je leren (her)kennen en gebruiken. Een foto met natuurlijk licht is niet automatisch een goed belichte foto met fraai licht.

De kracht en de duur

Flitslicht onderscheidt zich vooral in twee aspecten van aanwezig licht: de duur en de sterkte. Aanwezig licht, hetzij van de zon of van kunstlichtbronnen, is over het algemeen continu. Bij flitslicht hebben we het over flitstijden van 1/1000 van een seconde. Dat verschil kunnen we in ons voordeel gebruiken omdat we instellingen hebben die ons toelaten beide bronnen apart te controleren.

Vanwege de korte duur van flitslicht heeft je sluitertijd (binnen bepaalde grenzen) geen invloed op de belichting wanneer je alleen flitslicht gebruikt. Flitslicht controleer je door een geschikt diafragma te kiezen (een groter diafragma laat meer licht binnen) of door het vermogen van de flitser te regelen.

De kracht van omgevingslicht is relatief constant – tenminste over een korte periode: in de loop van de dag neemt zonlicht bijvoorbeeld in sterkte toe en dan weer af, en ook wolken kunnen de hoeveelheid licht snel doen veranderen.

Bij flitslicht daarentegen kan je het vermogen zelf instellen, van het maximale tot het minimale vermogen van de gebruikte flitser. Ook door de afstand van de lichtbron tot je model te veranderen, beïnvloed je de hoeveelheid licht die erop valt. Je hebt dus sowieso meer controle over de lichtopbrengst. Dat geeft je de mogelijkheid om beide lichtbronnen op elkaar af te stemmen.

De kleur oftewel temperatuur

Een derde verschil is de kleur van het licht, technisch uitgedrukt: de kleurtemperatuur. Bij het natuurlijk aanwezige zonlicht wijzigt de temperatuur regelmatig. Denk maar aan het verschil tussen een zonsopkomst en de zon enkele uren later op haar hoogste punt: een overgang van warme gloed naar een blauwgrijze lichtbron.

Kunstlichtbronnen die continu licht afgeven zijn zelden heel stabiel in hun kleurtemperatuur. Lampen voor professionele toepassingen zoals in de filmindustrie moeten vaak een tijdje opwarmen voor ze stabiel licht afleveren.

Bij flitsbronnen zit je meestal iets veiliger en is de kleurtemperatuur redelijk stabiel en bekend. Sommige duurdere flitsers hebben zelfs een instelbare kleurtemperatuur. We kunnen stellen dat we met flitslicht duidelijk in het voordeel zijn omdat we hier consistente resultaten mogen verwachten. Om een mooie mix te krijgen tussen flits en continu licht zal het soms nodig zijn om de kleurtemperatuur van één van beide bronnen te wijzigen.

Een opmerking tussendoor: bij flitsers die gebruikmaken van goedkopere elektronische componenten kunnen verschillen in kleurtemperatuur en zelfs vermogen optreden tussen twee exemplaren. Dat maakt het vanzelfsprekend erg lastig om er consistente resultaten mee te behalen.

De lichtmeter

Je hebt al begrepen dat licht nogal wispelturig kan zijn. Het zou dus handig zijn om een en ander even uit te meten voor we gaan fotograferen. Daarvoor werd een instrument uitgevonden dat de hoeveelheid licht kan weergeven op een schaal die we als fotograaf kunnen interpreteren: de lichtmeter. Hierover vertellen we je in een apart artikel.

Een nadeel is dat deze ingebouwde meter het gereflecteerde licht meet, dat wil zeggen het licht dat door je onderwerp naar de camera gereflecteerd wordt.

Compensatie

Hoe los je dat probleem op? Je kan werken met belichtingscompensatie (EV-compensatie). Daardoor geef je aan de camera de opdracht om de belichting aan te passen. Voor een wit onderwerp ga je overbelichten (positieve compensatie). Voor identieke onderwerpen is dit systeem nog wel bruikbaar maar bij wisselende onderwerpen zit je meer aan de instellingen te klooien dan dat je foto’s aan het maken bent. Moderne camera’s hebben overigens ingebouwde intelligentie en doen aan scèneherkenning waardoor ze zelf al grotendeels kunnen gaan compenseren. Maar dit is voor de gebruiker geen transparant systeem: je hebt geen idee wat de computer wel of niet voor je gaat doen.

Om het allemaal wat eenvoudiger te maken, kan je kiezen om je licht te meten met een externe lichtmeter. Die meet het licht dat op je onderwerp valt, niet het gereflecteerde licht. Een bruid in een wit kleedje of een bruidegom in een zwarte smoking, het maakt voor de lichtmeter niet uit.

Elke lichtmeter werkt op dezelfde manier. Je bepaalt de ISO-waarde waarbij je wilt fotografen, kiest ofwel het diafragma ofwel de sluitertijd waarmee je wilt werken. De lichtmeter berekent dat de ontbrekende waarde (sluitertijd of diafragma) om een correct belichte foto te maken. Je kan een lichtmeter zowel voor continu licht als voor flitslicht gebruiken; in dat laatste geval moet je de lichtmeter als trigger gebruiken om de flitsers te laten afgaan.

Veel fotografen evolueren in hun carrière naar het werken in manuele stand. De volledige controle hebben over je beelden is daar het doel. Wij zijn ervan overtuigd dat de externe lichtmeter nog steeds een belangrijk instrument is om dat doel te bereiken, met of zonder flitslicht.

Hard licht versus zacht licht

Je weet dat fotograferen tijdens de middaguren op een zonnige dag een moeilijke opgave is. Is het onoverkomelijk ? Neen, absoluut niet, zolang je weet dat je op dat moment van de dag met hard natuurlijk licht moet werken, wat contrastrijke beelden met diepe schaduwpartijen oplevert.

Daarom werken veel fotografen liever in de ochtend, de late namiddag of verkiezen ze een bewolkte dag. Op een bewolkte dag zal het wolkendek functioneren als een zeer grote softbox dat het licht op natuurlijke wijze diffuus en heel zacht zal maken en je dus veel minder contrastverschillen zal krijgen. Maar willen we dat wel altijd?

Hard licht is immers niet automatisch lelijk licht. Soms wil je net een portret van iemand maken waarin harde contrasten een bepaalde sfeer weergeven, en het is net dán dat we op zoek gaan naar het iets hardere licht. Werken met hard licht is vaak moeilijker dan werken met zacht licht, omdat je je modellen veel beter moet positioneren en aansturen om geen lelijke slagschaduwen te krijgen.

Dit is nu net hetzelfde bij flitslicht. Hoe kleiner je lichtbron is ten opzichte van je onderwerp, hoe harder het licht zal zijn; en omgekeerd, hoe groter de lichtbron is ten opzichte van het onderwerp of model, hoe zachter het licht zal zijn. Dat kan je zeer snel merken door de overgang te controleren van de lichtere partijen naar de donkerste partijen. Hoe sterker afgetekend die overgang is afgelijnd, hoe harder de lichtbron is die je op dat moment gebruikt.

Accentlicht
Als je een natuurlijk gevoel wilt behouden in een beeld waarin je natuurlijk licht gaat mengen met flitslicht, houd dan rekening met de keuze van je licht. Als je natuurlijke licht zacht en diffuus is, probeer het dan ook te mengen met zacht flitslicht. Dan zal alles meer in balans zijn en blijft de foto natuurlijker aanvoelen.

Dit is natuurlijk geen absolute regel. Er zijn genoeg fotografen die zacht licht juist willen combineren met harder licht om te komen tot een specifiek uitgesproken accentlicht. Maar weet dan wel dat het zal opvallen dat er flitslicht in de scène is gebruikt en het dus minder natuurlijk zal overkomen – wat niet betekent dat het niet mooi kan zijn.

De softbox
Om licht te manipuleren, bestaan er verschillende instrumenten. Het bekendste attribuut voor een flitser is wel een softbox. Die verandert een kleine lichtbron in een groter vlak dat gericht, egaal en diffuus licht geeft. Ook continu licht kan aangepast worden met diffusieschermen, reflectiepanelen en dergelijke.

 

 

Bij de eerste twee foto’s hierboven gebruikten we zuiver natuurlijk licht. Voor de eerste foto hebben we het licht gemeten met een externe lichtmeter, zodat we perfect wisten hoeveel licht daar op het model terechtkwam. Merk op dat de omgeving achter het model wel overbelicht is.

Voor de tweede foto hebben we de camera ingesteld om de omgeving correct uit te lichten. Nu is ons model onderbelicht.

Op dat moment heb je als fotograaf twee keuzes. Ofwel gaan we voor het correct uitgelichte model en de lichte achtergrond (wat op zich niet verkeerd zou zijn), ofwel kiezen we voor een beeld waarbij ook de achtergrond correct is belicht, maar dan moeten we flitslicht toevoegen om het model ook op een correcte wijze te belichten.

Dat is gebeurd in de derde foto. We hebben gebruik gemaakt van een opzetflitser ingesteld in de manuele stand en voorzien van een doorschietparaplu om het licht zachter te maken. Je merkt dat nu zowel achtergrond als onderwerp correct belicht zijn.