Deze website maakt gebruik van cookies. Voor meer informatie over de cookies waarvan deze website gebruik maakt klik hier. Door verder op deze website te surfen geeft u de toestemming aan Minoc Media Services om cookies te gebruiken.

Begin je eigen fotostudio thuis

Hou alles zelf in de hand

Begin je eigen fotostudio thuis

Voor veel hobbyfotografen is een fotostudio onbekend terrein, waardoor ze zich nooit aan studiofotografie wagen. Toch is werken in een studio technisch heel wat makkelijker dan werken op locatie.

Het grote voordeel van een studio is dat je er alle omstandigheden zelf in de hand houdt. Op locatie moet je altijd rekening houden met het omgevingslicht, dat plots kan omslaan van zonnig naar bewolkt.

Ervaring opdoen
In de studio werk je met kunstlicht dat je opstelt en regelt zoals je wenst. Het moeilijkste is je belichting onder controle houden, en weten waar je best je lichten plaatst om een bepaald effect te verkrijgen. Dit laatste kan je alleen leren door ervaring op te doen in een studio.

Daarom is het ook wel handig om in het begin eens een workshop te volgen, zodat je in de praktijk en onder begeleiding leert de flitsers te plaatsen, het licht te meten, je camera in te stellen en uiteraard ook nog je model te sturen en een leuke compositie te maken.
 


Begin je eigen studio

Hoeveel plaats je nodig hebt voor een eigen studio hangt vooral af van het onderwerp dat je wil gaan fotograferen. De meeste studio's die je kan huren zijn gericht op het fotograferen van mensen. Maar ook veel andere zaken worden in de studio gefotografeerd, van heel kleine onderwerpen zoals make-upartikelen tot auto's en zelfs vrachtwagens.

Voor het fotograferen van mensen kom je al toe met een ruimte van 4×2 meter, al werkt 6×4 meter veel comfortabeler. Het belangrijkst is evenwel de hoogte. Je zal heel vaak licht van boven willen laten komen, en dan is een standaardplafond op 2,70 meter al snel te laag.

In een te kleine studio sta je zo dicht bij je model dat je korte brandpuntafstanden nodig hebt (16 tot 35 mm), met lelijke vervormingen als gevolg. Het is beter als je wat afstand kan houden.

Eerst eens huren
Om na te gaan of fotograferen in de studio wel iets voor jou is, kan je het best een paar keer een studio te huren of aankloppen bij een bevriend fotograaf met studio. Vergelijk de prijzen voor je gaat huren; de meeste verhuurfirma's hebben een website waar uitvoerig besproken staat hoe groot de ruimte is en wat er ter beschikking is.

Je vindt er ook op welke basis je de studio kan huren (per uur, halve dag, dag, week en langer), en de prijzen kunnen soms heel ver uit elkaar liggen. Sommige fotoclubs bieden hun leden ook de mogelijkheid om een studio op te stellen en zo krijg je meteen ook een beetje hulp.

Witte muren zijn schoon
Als je zelf een studio inricht, is ook de kleur van de omringende muren zeer belangrijk. Witte muren zullen het flitslicht terugkaatsen. Dat is een voordeel als je schaduwpartijen wil oplichten, maar een nadeel als je een erg contrastrijk beeld wil maken. Een witte muur is veelal storend, zeker als je het licht goed onder controle wil houden. Dan is zwart of donkergrijs een betere oplossing omdat dat geen reflectie veroorzaakt.

Of je nu kiest voor witte of zwarte muren, gebruik steeds matte verf. Glanzende verf geeft storende reflecties van de flitsers en andere voorwerpen. Zeker te mijden zijn gekleurde muren: licht dat daarop reflecteert, neemt de kleur van de muur over. Als je blinkende onderwerpen fotografeert, zal daarin ook de reflectie van alle vlakken die licht weerkaatsen te zien zijn.

Daglichtstudio's hebben grote raampartijen om het natuurlijke licht naar binnen te laten komen, meestal aan de noordzijde. Kinderfotografen waarderen de mooi egale lichtverdeling, waardoor de kinderen zeer vrij kunnen bewegen. Deze techniek resulteert in vrij vlak licht, maar net dat past perfect bij deze stijl.

Doorgaans zal alle daglicht echter uit de studio geweerd worden en zal men met gecontroleerde lichtbronnen werken.

Studioverlichting kiezen

Je hebt verschillende opties om je studio van licht te voorzien. Het goedkoopst zijn de bouwlampen die je in doe-het-zelfzaken vindt. Reken op een vermogen van 1.000 tot 2.000 watt aan lampen om op ISO 400, 1/125ste en f/4 te kunnen werken.

Wil je kleinere diafragma's, dan heb je meer vermogen nodig. Bouwlampen hebben een gelige kleurtoon; je kunt daarom het best een manuele witbalans instellen met een grijskaart of de voorinstelling Gloeilamp gebruiken.

Continulicht
Een tweede optie is continulicht. Dit zijn energiezuinige lampen die minder warmte afgeven dan een gloeilamp of bouwlamp, zoals tl-, led- of spaarlampen. Er bestaan voor de fotograaf speciale daglichtgebalanceerde lichtbronnen die een 100% natuurgetrouwe kleurweergave garanderen. Lampen die niet gebalanceerd zijn, geven 'vuil licht' met een slechte of onvolledige kleurweergave tot gevolg.

Continulicht wordt vaak gebruikt bij statische onderwerpen zoals stilleven, eten en productshots, omdat de sluitertijd daar minder een rol speelt. Je kunt bijgevolg de gevoeligheid laag houden en het diafragma dichtknijpen; mits de camera op een stevig statief staat, is een lange sluitertijd geen probleem.

Sommige fotografen zweren ook voor modelfotografie bij continulicht omdat ze gaan voor what you see is what you get, en ze het flitslicht als storend ervaren. Je zal wel iets meer moeten investeren om een gelijkwaardig vermogen te verkrijgen als bij flitslicht. Hou er rekening mee dat door de langere sluitertijden gemakkelijk bewegingsonscherpte kan optreden.

Studioflitsers
De derde en meest gebruikte optie zijn studioflitsers. De aankoop van een eerste setje is altijd een moeilijke keuze. De meest gestelde vragen zijn: hoeveel flitsers en hoeveel vermogen heb je nodig?

Met één lichtbron kan je al heel mooie effecten bereiken; de meeste voordelige 'kits' bevatten twee flitskoppen. Maar eigenlijk zijn drie lichtbronnen de basis van de meest gebruikte lichtopstelling: een hoofdlichtbron, een vullicht en een haar- of effectlicht.

Bij studioflitsers wordt het vermogen uitgedrukt in Ws (wattseconde). Het is helaas erg moeilijk om de specificaties van verschillende merken en types te vergelijken, omdat fabrikanten niet allemaal dezelfde manier gebruiken om het vermogen te berekenen. Een mooi setje voor modelfotografie zou kunnen bestaan uit twee koppen van 500 Ws, één van 1.000 Ws en eventueel nog eentje van 250 Ws.

 

Een achtergrond hoeft niet altijd egaal wit of zwart te zijn. (Model: Ellen Deckx)

Aantal stops
Even belangrijk is ook het aantal 'stops' waarover een flitser geregeld kan worden. Zoals je weet staat elke stop voor een verdubbeling of halvering van de hoeveelheid licht. Elke stop verschil in licht staat gelijk met één stap van het diafragma of van de gevoeligheid (flitslicht regel je op je camera met het diafragma en de gevoeligheid, en nooit via de sluitertijd).

Bij een studioflitser stel je de flitssterkte in via een schaal van 1/1; ½ ; ¼ ; 1/8 ; 1/16 enzovoort, of via een getallenschaal zoals 1, 2, 3, 4. Het aantal stappen op de schaal bepaalt de flexibiliteit van de lichtbronnen.

Stel dat je een bepaalde opstelling hebt gemaakt met diafragma f/8. Je wilt echter minder scherptediepte en gaat naar f/4 (diafragma twee stops groter). De flitssterkte moet dus met twee stops naar beneden. Als je flitser al op minimale kracht stond, kan dat alleen nog door de lichtbron verder van het onderwerp te plaatsen.

Onthou ook: om één stop aan licht te winnen, heb je het dubbele vermogen nodig. Stel dat bij een zekere opstelling 400 Ws je f/8 als werkdiafragma geeft, dan geeft 800 Ws f/11, 1600 Ws f/16 enzovoort. Om geen overhaaste investeringen te doen, kun je het studiomateriaal beter eerst huren, wat bij de meeste grote fotowinkels kan.

Het modelleerlicht instellen
Net naast de flitsbuis van een studioflitser staat het modelleerlicht. Dit is een lamp die een continu licht werpt dat je een indruk geeft van hoe het flitslicht op het onderwerp valt. Het modelleerlicht is doorgaans een gloeilamp van 100 tot 300 watt, en wordt uitgeschakeld wanneer de flitser afgaat.

Het vermogen van het modelleerlicht kan je meestal met een dimmer variëren. Zelf laten wij het modelleerlicht van ons hoofdlicht fel schijnen. In de studio is het lichtniveau namelijk laag, waardoor de pupillen van het model helemaal openstaan.

Als je dan gaat flitsen, krijg je geen mooi gekleurde iris op de foto te zien maar twee grote zwarte cirkels. Door het felle modelleerlicht vernauwen de pupillen. Lukt je dat niet, plaats dan een extra (gloei)lamp die je op het gezicht van je model laat schijnen. Maak je geen zorgen over de invloed van dat licht op je foto: bij f/8, 1/125 en ISO 100 maakt het licht van een 200-wattlamp niets uit.

Denk aan de koeling
Een laatste aandachtspunt bij de keuze van flitsers is de koeling. Sommige goedkope sets zijn niet actief gekoeld, ze hebben geen ventilator. Bij intensief gebruik gaan ze snel overmatig opwarmen, waardoor ze zichzelf uitschakelen en je moet wachten tot de elektronica voldoende afgekoeld is.

Zeer vaak leveren ze geen consistente output en kan ook de kleurtemperatuur fluctueren. Dat maakt ze in het gebruik zeer lastig en geeft je achteraf extra werk om alles recht te trekken.

Statieven en achtergrond

Om de flitskoppen te ondersteunen heb je statieven nodig. We raden aan om statieven te kopen met een maximumhoogte van 2,60 meter. Een lichtstatief kan je herkennen aan de spigot-koppeling die je op het einde vindt, deze koppeling is vrij standaard en past op alle merken.

De goedkoopste statieven hebben geen demping. Wanneer je de segmenten losschakelt, schuift het statief gewoon in. Als er dan nog een flitskop op het statief staat, valt dit met een luide schok naar beneden. Daarom zijn de duurdere statieven ter beveiliging uitgerust met een veer- of luchtdruksysteem, zodat er gaan schade kan ontstaan.

Een klein, ongeveerd en licht statief is de König LS10, een geveerd statief van 2,60 meter is de Walimex 8051 en een luchtgedempt statief is een Manfroto 1004bac.

De achtergrond kiezen
Voor studiofotografie wil je meestal een egale achtergrond. Voor kleine objecten kun je een opnametafel of een lichttent gebruiken. Bij de fotografie van personen worden meestal doeken of papier als achtergrond gebruikt.

Gekleurde doeken (met of zonder motief) zijn niet meer in de mode, en kunnen slordig overkomen door de plooien. Een doek dat wel nog vaak gebruikt wordt is een mat zwart doek, omdat dat gemakkelijk zwart gehouden kan worden op een low-key-opname.

Het meest voorkomende achtergrondsysteen is de papierrol. Je vindt honderden kleuren in enkele standaard breedten. De rollen kunnen opgesteld worden op twee statieven, of je kan kiezen voor een permanente bevestiging aan plafond of muur. Hoe hoger de rol kan hangen hoe beter; anders kan de rol in beeld komen als je een laag standpunt inneemt.

Als de ruimte vochtig is, kan het papier gaan vervormen. Je kunt dan de binnenste kartonnen steunrol vervangen door een aluminium exemplaar en zo de opslag van vocht in de kern tegengaan.

Modifiers
Op een studioflitskop kun je een zogenaamde modifier plaatsen om de natuur van het licht te wijzigen. Iedere modifier heeft zijn specifieke eigenschappen en levert een bepaald licht.

De meest courante zijn de softbox, die een goed controleerbaar en mooi egaal licht levert, en de goedkopere zilveren reflectieparaplu, die een erg contrastrijk licht maakt. In een beginnerskit vind je meestal een softbox, een aantal standaardreflectors en soms ook een paraplu.

Camera en flitsers instellen

Bij het werken in de studio raden wij aan steeds gebruik te maken van een externe lichtmeter. Op de lichtmeter moet je invoeren welke ISO-waarde je wil gebruiken en met welke sluitertijd je gaat werken. De lichtmeter zal dan de exacte diafragmawaarde weergeven die we op de camera moeten instellen om een correct belichte foto te verkrijgen.

De gevoeligheid zet je zo laag mogelijk om een betere kwaliteit foto te garanderen. Afhankelijk van het type en het merk fototoestel dat je gebruikt zal dat ISO 50,100 of 200 zijn.

Sluitertijd van belang?
De sluitertijd die je gebruikt in de studio heeft in principe geen belang. De duur van de flits is immers veel korter dan de sluitertijd. De sluitertijd heeft alleen invloed op het omgevingslicht, maar omdat er in een studio meestal weinig tot geen omgevingslicht is, speelt dat niet mee in de belichting van je model.

Je moet bij het instellen van de sluitertijd wel rekening houden met de maximale synchronisatietijd van je camera. Voor sommige merken is dit 1/250ste, maar voor andere merken kan dit slechts 1/200ste of minder zijn.

Stel je een snellere sluitertijd in, dan krijg je zwarte strepen op je foto. Daarom wordt in de studio eigenlijk bijna altijd gebruikgemaakt van een sluitertijd van 1/125ste om zeker te zijn dat de triggers, de flitsers en de camera in balans zijn.

Een tip: sommige camera's zijn ingesteld met een X-sync-setting, hiermee zet de camera automatisch de sluitertijd kiezen gelijk aan de hoogst mogelijke synchronisatietijd. Je hoeft alleen nog je ISO en diafragma in te stellen.

Flitskracht
De flitsers zelf kan je trapsgewijs instellen. Bij iets goedkopere flitsers door het draaien aan een knop, bij duurdere modellen digitaal. De instellingen van de flitser zullen steeds genummerd zijn, bijvoorbeeld van 1 tot 5, waarbij 1 de minimale flitskracht is en 5 de volle flitskracht. Het verschil in flitskracht tussen twee getallen (bijvoorbeeld tussen 1 en 2) is exact één stop. Als je weinig ervaring hebt met studiofotografie raden we je aan na elke wijziging van de flitskracht een nieuwe lichtmeting uit te voeren.

Om het licht te meten plaats je de lichtmeter aan de kin van het model en laat je de flitsers afgaan. Voor het aansturen van de flitsers wordt tegenwoordig bijna steeds gebruikgemaakt van radiogestuurde systemen. Dat kan gaan van goedkope triggers tot professionele triggers zoals PocketWizard.

Het afvuren van de flitsers om het licht te meten doe je door op de testknop van je zender te drukken. In sommige gevallen is de lichtmeter zelf uitgerust met een speciale chip, waardoor de flitsers automatisch afgaan bij het indrukken van de knop op de lichtmeter. De lichtmeter dient daarbij in de non-cord-modus te staan.

Een rookmachine brengt leven in een statisch portret. (Model: Joyce Wohrmann)

Wanneer de flitsers zijn ingesteld en het licht is gemeten, kun je je camera correct instellen. Zet je camera op een sluitertijd van 1/125ste, de laagst mogelijke gevoeligheid (deze heb je ook ingevuld op je lichtmeter) en de diafragmawaarde (f-getal) dat de lichtmeter bij de meting weergeeft. Als je dit allemaal op een correct manier doet, zal je vanaf je eerste foto met een correcte belichting zitten.

Als je flitsers zijn ingesteld en je met het opgegeven diafragma te veel of te weinig scherptediepte hebt, dan moet je de kracht van de flitser verhogen of verlagen naargelang het gewenste resultaat. Wil je bijvoorbeeld een diafragma dat twee stops groter is, voor minder scherptediepte, dan verlaag je de kracht van de flitsers met twee stops. Meet het licht opnieuw, zodat je er zeker van bent dat de belichting goed zit.

Omgevingslicht
Neem nu de proef op de som om te ervaren dat de sluitertijd geen belang heeft bij studiofotografie. Stel, je neemt de eerste foto met de waarden 1/125, ISO 200 en het f-getal dat de lichtmeter heeft gemeten. Neem vervolgens zonder de instellingen van de flitsers en de positie van je model te wijzigen dezelfde foto met een sluitertijd van 1/30ste, ISO 200 en hetzelfde f-getal.

Je zou nu denken dat de foto twee stops (van 1/125ste naar 1/30ste) overbelicht zou moeten zijn. Maar in de praktijk zal de foto nog altijd even correct zijn belicht, aangezien de sluitertijd geen invloed heeft op het flitslicht, maar alleen op het omgevingslicht – dat in een verduisterde fotostudio verwaarloosbaar is.

Bij een langere sluitertijd hoef je ook niet te vrezen voor bewegingsonscherpte. De uiterst korte flitsduur zal je onderwerp 'bevriezen'. De flitsduur is als het ware je werkelijke sluitertijd.

De sluitertijd is wél van belang als we een bron van continu licht hebben in de studio. Wij fotografeerden ooit een model waarbij we kerstverlichting op de achtergrond mee in beeld wilden brengen. Daardoor moesten we de sluitertijd wel degelijk verlengen om het effect van die lampjes mooi op plaat te krijgen.
 



Bij een te korte sluitertijd zou het licht van die lampjes niet zichtbaar zijn. Deze techniek wordt ook dragging the shutter genoemd. Let hierbij op dat ook het modelleerlicht mee kan gaan spelen in de foto. Je zal deze hiervoor dus even moeten uitschakelen.

Model bevriezen
Zoals vermeld zullen de flitsers de beweging van het model bevriezen. Wens je een foto waarop het model springt, dan zal je ervoor moeten zorgen dat de flitsset de kortst mogelijke flitstijd gebruikt. In tegenstelling tot opzetflitsers (gebruikt bij strobistfotografie), waar de reportageflitsers de kortste flitsduur hebben op minimaal vermogen, is dit bij studioflitsers net het omgekeerde.

De flitsduur van studioflitsers is het kortst op maximale kracht. Als je de springbeweging van het model wil bevriezen, zal je je studioflitsers dus op maximale kracht moeten instellen en bijgevolg werken met zeer kleine diafragma’s om overbelichting te vermijden. Dat heeft als bijkomend voordeel dat je heel wat meer scherptediepte hebt.

Problemen?

Als je foto over- of onderbelicht is, dan moet je nooit de reden zoeken bij de sluitertijd, maar nagaan of de gevoeligheid en het diafragma correct zijn ingesteld met de gemeten waarde. Blijkt dit allemaal te kloppen en is je foto nog steeds onderbelicht, controleer dan even of er geen polarisatiefilter op je lens zit. Dit is iets wat wij al verscheidene keren hebben meegemaakt in onze workshops. De filter blokkeert een deel van het licht, waardoor de foto onderbelicht wordt.

Zijn de kleuren van je foto niet correct (te blauw of te geel), dan ligt dit heel waarschijnlijk aan de instelling van je witbalans. Stel bij studiofotografie nooit je witbalans af op automatisch of op een bepaalde kelvinwaarde, maar maak steeds gebruik van een grijskaart.Je maakt een foto van je model die correct belicht is – dit is zeer belangrijk – met de grijskaart in de hand.

Je laat de witbalans op automatisch staan, en neemt een reeks foto’s in raw-formaat. Bij de nabewerking ga je op die eerste foto met de grijskaart via het pipet de correcte witbalans bepalen. Je gebruikt die waarde dan voor de andere foto’s in de reeks. Dit werkt perfect, maar vergt uiteraard iets meer tijd in nabewerking.

Een tweede manier is een correct belichte en beeldvullende foto te maken van de grijskaart, en deze foto als basis te gebruiken voor het instellen van je witbalans op de camera (zie de handleiding van je camera voor details). Die 'manuele' witbalans gebruik je dan voor de rest van de opnames. Op deze manier zullen alle verdere foto’s binnen deze reeks een correcte witbalans hebben.

Let wel, telkens als je je flitsopstelling en/of flitskracht wijzigt, is het aangeraden om je witbalans opnieuw in te stellen met behulp van de grijskaart.

Experimenteer!
Als je studiofotografie onder de knie hebt, probeer dan eens een ander type achtergrond dan een papierrol of doek. Verder kan je misschien eens experimenteren met een rookmachine en wat kleureffecten.

 


 

Probeer ook eens andere composities en uitsnedes. Voor bovenstaande foto fotografeerden wij alleen de benen van het model. De omzetting naar contrastrijk zwart-wit maakte voor ons de plaat af. 

Hoe je het best te werk gaat met modellen, hebben we in een apart artikel uitgelegd.

Hieronder bij de extra beelden vind je onder meer vier modelportretten, met in het eropvolgende beeld de daarbij gebruikte opstelling.

Website Michel EngelenWebsite Peter Nackaerts